3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de beleidsregels op basis van het in hoofdstuk 2 genoemde wettelijke kader geformuleerd. De beleidsregels worden door het college van burgemeester en wethouders gehanteerd bij de besluitvorming omtrent aanvragen voor gehandicaptenplaatsen.
De beleidsregels hebben betrekking op die aspecten van gehandicaptenparkeerplaatsen waar de wetgever ruimte geeft om nadere invulling te geven aan de regels inzake gehandicaptenparkeerplaatsen. Eerst zal ingegaan worden op de toewijzing van gereserveerde gehandicaptenparkeerplaatsen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar de aanvrager die bestuurder is en de aanvrager die passagier is. In de daarna volgende paragraaf wordt ingegaan op de algemene gehandicaptenparkeerplaatsen.
3.2 Gereserveerde gehandicaptenparkeerplaatsen
Een aanvrager kan bestuurder zijn of kan een passagier zijn (of beiden). Aanvragen voor bestuurders komen het vaakst voor. Voor passagiers die een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats aanvragen gelden aanvullende criteria. Deze worden beschreven in paragraaf 3.3.
3.2.1 toewijzen
De beoordeling of een aanvrager in aanmerking komt voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats kent twee componenten. Een medische en een verkeerskundige component.
3.2.1.1 medische component
Om in aanmerking te komen voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats moet de aanvrager in het bezit zijn van een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder of passagier. Indien de aanvrager niet in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart bestaat er ook geen recht op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats.
De maximale loopafstand is een criterium die een rol speelt bij de afweging met de verkeerskundige component. Daarom is het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart niet voldoende, maar moet middels een (geneeskundig) onderzoek vastgesteld worden wat de maximale loopafstand is.
Uit het rapport van de onafhankelijk deskundige die wordt geraadpleegd om de medische component van de aanvraag te beoordelen moet het volgende blijken:
Medische klachten
Duidelijke diagnose
De beperkingen die voortvloeien/verband houden met de diagnose
De maximale loopafstand.
Uit zorgvuldigheidsoverwegingen moet het onderzoek zijn uitgevoerd door een arts, of in ieder geval onder de verantwoordelijkheid van een arts. Indien door de aanvrager een recente9Recent is in ieder geval niet ouder dan 12 maanden, tenzij uit de medische verklaring duidelijk sprake is van een eindsituatie. Met andere woorden de beperkingen van de aanvrager zullen niet verbeteren. medische verklaring van een behandelend specialist of huisarts10Een verklaring van een fysiotherapeut of manueel therapeut is niet voldoende om de medische situatie van de aanvrager te beoordelen. Op basis van jurisprudentie en uit zorgvuldigheidsoverwegingen moet de verklaring afkomstig zijn van een medicus. is verkregen, kan deze dienen als basis voor het beoordelen van de medische component van de aanvraag. Uit de verklaring moet blijken:
Medische klachten
Duidelijke diagnose
De beperkingen die voortvloeien/verband houden met de diagnose
De maximale loopafstand.
Het medisch toetsingskader van een gehandicaptenparkeerkaart verschilt met die van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. Immers het medische onderzoek voor de gehandicaptenparkeerkaart kent slechts één maatgevende afstand (meer of minder dan 100 meter), terwijl voor de gehandicaptenparkeerplaats een gedetailleerdere afstand belangrijk is. De medische toets is daarom anders. Het is dus niet zo dat het medisch onderzoek voor de kaart geen afstand noemt. Die staat er wel degelijk in. Maar voor de plaats is daarnaast de meer specifieke maximale loopafstand belangrijk, omdat deze gekoppeld kan worden aan het bepalen van de parkeerdruk binnen het gebied van de maximale loopafstand. Met het medisch adviesorgaan zijn principe afspraken gemaakt dat op het moment er een medisch advies voor de afgifte van een gehandicaptenparkeerkaart wordt opgevraagd, de gedetailleerde maximale loopafstand wordt weergegeven en niet alleen aangegeven wordt of de maximale loopafstand meer of minder dan 100 m bedraagt.
3.2.1.2 verkeerskundige component.
Het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart is geen garantie op het toegewezen krijgen van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats, omdat naast de maximale loopafstand11De maximale loopafstand wordt gemeten vanaf de voordeur van de woning of het werk- of studieadres. de parkeerdruk ter hoogte van de woning12Het kan ook gaan om een werk- of studieadres., de mogelijkheid tot parkeren op eigen terrein, de verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer ook van belang is.
De verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen door het toewijzen van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. De verkeersveiligheid kan in ieder geval in het gedrang komen ter plaatse van een verbod om stil te staan, in de nabijheid van een hoek van een straat, op gebiedsontsluitingswegen (50-km-weg, 60-km-weg, 70-km-weg, 80-km-weg) zonder parkeermogelijkheid.
3.2.1.2.1 maximale loopafstand ≤ 50 meter
Indien de maximale loopafstand 50 meter of minder is (met/zonder gebruik van alle beschikbare hulpmiddelen; waaronder o.a. een rollator), wordt geen parkeerdrukonderzoek uitgevoerd, omdat aangenomen wordt dat bij een maximale loopafstand van 50 meter of minder steeds een parkeerplaats voor de aanvrager binnen bereik moet zijn. Dit betekent dat indien sprake is van een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder en een maximale loopafstand van 50 meter of minder en geen gelegenheid tot parkeren op eigen terrein steeds een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt toegekend, mits dit fysiek in de openbare ruimte te realiseren is.
3.2.1.2.2 maximale loopafstand > 50 meter tot 100 meter
Bij een maximale loopafstand van meer dan 50 tot 100 meter (met/zonder gebruik van alle beschikbare hulpmiddelen; waaronder o.a. een rollator), wordt eerst bekeken of – al dan niet met aanpassingen – mogelijk is om op eigen terrein te parkeren. Indien dit niet mogelijk is wordt steeds een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd.
3.2.1.2.3 maximale loopafstand meer dan 100 meter.
Bij een maximale loopafstand van meer dan 100 meter wordt er van uitgegaan dat aanvrager steeds voldoende mobiel is om de afstand tussen de woning en het voertuig te overbruggen. Immers de 100 meter is afgeleid van de toekenningscriteria voor een gehandicaptenparkeerkaart. In dit geval wordt dan ook geen gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats toegekend.
3.2.1.2.4 beoordeling parkeerdruk
Een beoordeling van de parkeerdruk rond het woon-, werk- of studieadres van de aanvrager wordt uitgevoerd op de volgende wijzen:13In eerste instantie zal gebruik worden gemaakt van optie 1, indien optie 1 niet in aanmerking komt of aanvullend onderzoek gewenst is, wordt gebruik gemaakt van optie 2. Nogmaals: de maximale loopafstand wordt gemeten vanaf de voordeur van de woning of het werk- of studieadres.
gebruik wordt gemaakt van het in de gehele gemeente uitgevoerde parkeerdrukonderzoek, waarbij binnen een straal van de maximale loopafstand gekeken kan worden wat de parkeerdruk is. Voorwaarde voor het gebruik van het gemeentebrede parkeerdrukonderzoek is dat dit onderzoek niet ouder is dan 3 jaren en mits er in de buurt van het adres waarop de aanvraag ziet geen recente ontwikkeling heeft plaatsgevonden waardoor de parkeerdruk kan zijn toegenomen.
Indien de parkeerdruk >50% is, kan de plaats worden toegewezen.
Er wordt in totaal 7 keer geteld. Geteld wordt op een doordeweekse dag (dinsdag, woensdag of donderdag): een keer aan het begin van de middag (rond 12.30 uur), een keer later op de middag (rond 16.00 uur) en drie keer op een avond (rond 21.00 uur). Daarnaast wordt op zaterdagmorgen (rond 08.00 uur) en zaterdagmiddag (rond 16.00 uur) gemeten.
De drie avondtellingen worden in drie opeenvolgende weken op dezelfde dag gehouden. Zo wordt sneller duidelijk of de resultaten zijn beïnvloed door toevalsfactoren.
Bij de tellingen wordt rekening gehouden met omgevingsfactoren, zoals de aanwezigheid van winkels, scholen of andere publiekstrekkende voorzieningen. Ook wordt rekening gehouden met veranderingen in de parkeerdruk door bijvoorbeeld (grote) evenementen en opbrekingen. In de schoolvakanties wordt niet geteld. Indien de parkeerdruk > 50 % is, kan de plaats worden toegewezen (mits voldaan is aan de andere voorwaarden).
3.3 Houder van een GPK-P die een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats aanvraagt
Naast in de voorgaande subparagrafen vermelde criteria geldt voor passagiers die een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats aanvragen nog het volgende.
Indien uit het oogpunt van verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer het niet mogelijk is dat de bestuurder van het motorvoertuig in de directe omgeving van de woning van de gehandicapte passagier stopt om deze te ondersteunen bij het in- en uitstappen en zo nodig te begeleiden naar zijn/haar woning wordt een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats toegekend, mits voldaan is aan de toekenningscriteria voor bestuurders. Daarnaast moet uit het medisch onderzoek blijken dat de passagier niet een korte tijd (waarin de auto wordt geparkeerd) alleen kan worden gelaten.
3.4 Conclusie met betrekking tot toewijzing gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats
Een plaats kan worden toegewezen in de volgende gevallen en onder de volgende condities:
houder gehandicaptenparkeerkaart met een maximale loopafstand van 50 meter of minder; een onderzoek naar de parkeerdruk is niet nodig en er is geen gelegenheid tot parkeren op eigen terrein.
houder gehandicaptenparkeerkaart met een maximale loopafstand van meer dan 50 tot 100 meter; binnen die afstand is sprake van een hoge parkeerdruk (>50%) en er is geen gelegenheid tot parkeren op eigen terrein.
in geval van een passagier: sub 1 of sub 2 èn aangetoond is dat de passagier niet een korte tijd (waarin de auto wordt geparkeerd) alleen kan worden gelaten.
3.5 Toewijzen algemene gehandicaptenparkeerplaatsen
In de gemeente Oisterwijk wordt een verhouding gehanteerd dat één op de 50 openbare parkeerplaatsen vormgegeven dient te zijn als (algemene) gehandicaptenparkeerplaats. Deze parkeerplaatsen moeten zo dicht mogelijk bij de ingang van het gebouw liggen. De afstand tot de ingang moet minder zijn dan 100 meter. Dit is namelijk de norm voor het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart: niet in staat zijn een afstand van 100 meter te voet zonder onderbreking te overbruggen. De afgelopen jaren zijn op diverse locaties in onze gemeente algemene gehandicaptenparkeerplaatsen toegewezen.
Gezien de maatvoering van de gehandicaptenparkeerplaats kan men bij een terrein ervoor kiezen om van drie gewone plaatsen twee gehandicaptenparkeerplaatsen te maken. Hierdoor blijft de terreinindeling gehandhaafd.
Het werkelijke aantal van deze plaatsen is afhankelijk van de vraag en kan door monitoring, overleg met lokale gehandicaptenorganisaties en evaluatie van de situatie bepaald en eventueel aangepast worden.
Artikel 3.
Beleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen
Onderdeel van Nota Gehandicaptenparkeerplaatsenbeleid 2024-2028 gemeente Oisterwijk