Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.2

Artikel 51

Daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude

Onderdeel van Verzamelbeleidsregels P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015

Het sluitstuk van de handhavingaanpak is de uiteindelijke sanctionering van de overtreder. Het doel hiervan is enerzijds dat misbruik wordt bestraft en dus het draagvlak voor de sociale zekerheid gehandhaafd blijft. Aan de andere kant beoogt het een gedragsverandering bij de overtreder te bewerkstelligen. Wanneer algemeen bekend is dat zwaar gestraft wordt, zal daar bovendien een preventieve werking van uitgaan. Het college heeft in § 3 van de Verzamelverordening bepaald welke gedragingen van de klant strijd met de wet opleveren en welke maatregel dan wel boete dientengevolge wordt opgelegd. Het college heeft in de voorliggende beleidsregels nadere regels gesteld aangaande daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude, voor wat betreft het opleggen van de bestuurlijke boete. Alle ten onrechte of teveel verstrekte uitkering wordt teruggevorderd. Als er sprake is van terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand voor levensonderhoud en er is ook sprake van verstrekking van bijzondere bijstand in dezelfde periode, dan strekt de terugvordering zich ook uit over deze bijstand. Het kan gaan om individuele bijzondere bijstand maar ook om de individuele inkomenstoeslag.

Rechtspraak bij dit artikel