1.. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en monumentale zaken en voorlopige gemeentelijke monumenten of voorlopige monumentale zaken, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2.. Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 2:3 tot en met artikel 2:6 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing.

3.. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege.

4.. Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing.

5.. De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden.

6.. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het monument of monumentale zaak of terrein waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.