Op grond van de artikel 6 van de Wet is de gemeente niet in alle gevallen verplicht om een PGB aan te bieden. Er zijn een aantal uitzonderingen wanneer verstrekking van een PGB niet plaatsvindt:
a. Wanneer er op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget. Dit kan zijn wanneer een aanvrager schulden heeft. Ook bij psychische problemen of sociaal-medische problemen kan verwacht worden dat het omgaan met een persoonsgebonden budget niet zal gaan.
Daarnaast kan verstrekking als een persoonsgebonden budget geweigerd worden als de aanvrager al eerder een PGB heeft gekregen, welke is ingetrokken en/of teruggevorderd. Er kan echter tijdens onderzoek duidelijk worden dat de aanvrager deze problemen met het omgaan met een persoonsgebonden budget niet meer zal hebben, bijvoorbeeld doordat iemand namens hem als budgethouder zal optreden.
b. Voorts wordt in die gevallen geen persoonsgebonden budget verstrekt indien de verstrekking goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld een collectief vervoerssystemen, in gevaar brengen.
Als in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een natura-voorziening wegvallen. Daarom is in de Verordening het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Opsterland kent op dit moment echter (nog) geen collectief vervoerssysteem.
c. Voor woon-, vervoers- en rolstoelvoorzieningen wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt indien verstrekking hiervan leidt tot kapitaalvernietiging. Verstrekking als een persoonsgebonden budget kan dan alleen plaatsvinden als de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt langdurig adequaat is. De term “langdurig adequaat” is verbonden aan de economische afschrijvingsduur van een voorziening. Bij rolstoelen, andere hulpmiddelen en woonvoorzieningen is dit in de regel 7 jaar.Een verstrekking van een voorziening in natura heeft de voorkeur als de verwachting is dat een voorziening na enige tijd niet meer adequaat zal zijn voor de aanvrager. Een voorziening die in natura is verstrekt en niet meer geschikt is voor de aanvrager komt immers in een depot en kan herverstrekt worden.
d. Tot slot wordt geen PGB voor hulp bij het huishouden verstrekt voor een periode korter dan 3 maanden. Reden hiervoor is de toename in de administratieve lasten voor zowel de cliënt als de gemeente.
Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden, is op dit moment nog niet te overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later toegevoegd worden.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2.1.
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning Opsterland 2011