**1..** Bij het bepalen van de locatie van ondergrondse containers wordt bij voorkeur een centrale ligging gekozen om een doelmatig gebruik te bevorderen (zoveel mogelijk aansluitingen per container).
**2..** Er wordt gestreefd naar minimaal 20 aansluitingen per ondergrondse afvalcontainer.
**3..** De loopafstand van een, op een ondergrondse container aangesloten, perceel tot de dichtstbijzijnde ondergrondse container voor restafval bedraagt maximaal 200 meter. Het streven is om onder de 125 meter van perceel tot de ondergrondse container te blijven. Hierbij wordt de loopafstand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde in- of uitgang van het hoogbouwcomplex of bij laagbouw vanaf de (meest gunstige) erfgrens.
**4..** Voor ondergrondse containers voor overige afvalsoorten, zoals glas, zijn geen maximale afstanden vastgesteld. De betreffende containers worden bij natuurlijke aanlooproutes geplaatst, bijvoorbeeld in de buurt van winkelcentra.
**5..** Bij het bepalen van de locatie wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met een zo kort mogelijke loopafstand vanaf seniorenwoningen.
**6..** De ondergrondse container wordt zodanig geplaatst dat voetgangers, al dan niet met een rolstoel, rollator, scootmobiel of kinderwagen, ongehinderd gebruik kunnen maken van doorlooproutes op het trottoir.
**7..** De ondergrondse container wordt zodanig geplaatst dat deze bereikbaar is voor mindervaliden.
**8..** Bij het plaatsen van een ondergrondse container wordt direct zicht op de container vanuit de woonkamer van een woning zoveel mogelijk beperkt.
**9..** Bij de ondergrondse container dient voldoende licht aanwezig te zijn om de container in het donker te kunnen gebruiken.
**10..** Ondergrondse containers worden zoveel mogelijk bij of naast bestaande (ondergrondse) inzamelvoorzieningen geplaatst.
HOOFDSTUK ll
Artikel 4.4
Bereikbaarheid locatie voor bewoners
Onderdeel van Beleidsregel locatiekeuze afval inzamelvoorzieningen gemeente Cranendonck