In 2005 is in de AWBZ voor het eerst het Protocol Gebruikelijke Zorg vastgesteld. Dit protocol is sindsdien juridisch vele malen getoetst en in 2010 is in de Wmo de norm voor gebruikelijk zorg op meerderjarig gesteld. In artikel 1.1.1 lid 1 van de Wmo 2015 is het begrip gebruikelijke hulp opgenomen: ‘hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.’ Echtgenoot, ouders, inwonende kinderen worden in het vervolg aangeduid als ‘huisgenoten’.

Gebruikelijke hulp is alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Gebruikelijke hulp heeft, anders dan mantelzorg, een verplichtend karakter. Voor inwonende kinderen geldt, dat deze afhankelijk van hun leeftijd taken hebben binnen het huishouden. Altijd wordt onderzocht of de personen die gebruikelijke hulp zouden moeten leveren, hiertoe daadwerkelijk in staat zijn.

Geen gebruikelijke hulp

Taken worden niet als gebruikelijke hulp aangemerkt als sprake is van:

  • - Zodanige gezondheidsproblemen (bijv. overbelasting of eigen beperking) bij de huisgenoot of partner binnen de leefeenheid dat de betreffende taken niet door diegene uitgevoerd kunnen worden;
  • - Een zeer korte levensverwachting van de cliënt (zie ook 5.8)
  • - Fysieke afwezigheid: Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn of haar werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk. Denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eenpersoonshuishouden en kan geen gebruikelijke hulp worden geleverd.

Factoren die geen reden zijn om van gebruikelijke hulp af te zien

Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen of kunnen verrichten’ zijn geen reden voor een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor zes weken hulp voor het aanleren van huishoudelijke taken en het leren organiseren van het huishouden.