Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8 › Paragraaf 6

Artikel 8.16

Verontreiniging door honden

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving

1.. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek bereikbare en ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het bevoegd gezag aangewezen plaats. 2.. Het bevoegd gezag kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt. 3.. Als de eigenaar of houder van de hond er voor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden opgeruimd dan vervalt de strafbaarheid van de overtreding op het gebod die in het eerste lid is bepaald. 4.. In ieder geval moet ieder persoon, die met een hond in de onder lid 1 a t/m c genoemde gebieden is, verplicht een goed opruimmiddel bij zich hebben zodat eventuele hondenuitwerpselen onmiddellijk kunnen worden verwijderd.

Rechtspraak bij dit artikel