De gemeenteraad heeft de invulling van de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater geformuleerd in het Water- en Rioleringsplan Dongen (WRP).
Lid 1 Verbod
De basis voor het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering is in de Wet milieubeheer gesteld en uitgewerkt in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het WRP. Het WRP bevat een beleidsvoornemen over het niet lozen van hemelwater en grondwater op de riolering van zowel openbaar als particulier terrein. Het lozingsverbod is niet beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook open erf of terrein. Het verbod betreft dus het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en onder meer via een dakgoot, regenpijp en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Maar ook het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via onder meer goten, putten en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht, is bijvoorbeeld een terras, oprit, parkeerterrein of laad- en losperron.
Lid 2 Op eigen terrein verwerken
In wezen is de regel simpel: hemelwater mag niet op de riolering worden aangesloten. Dit houdt veelal in dat voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater is:
1. hergebruik;
2. infiltreren in de bodem;
3. bergen; en
4. afvoeren.
Afvoer naar oppervlaktewater vereist meestal een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap op basis van de Keur. Ook op locaties waar een gescheiden gemeentelijke riolering aanwezig is voor vuilwater en hemelwater, geldt dat het hemelwater in principe op eigen terrein verwerkt moet worden. Aansluiting van hemelwater op het gemeentelijk hemelwaterstelsel is alleen mogelijk na toestemming van de beheerder. Hierbij moet, gelijk aan de regels in de Keur, 60 liter per m2 op eigen terrein verwerkt worden.
In de Waterwet en het Burgerlijk wetboek is al geregeld dat het op eigen terrein te verwerken water niet mag leiden tot overlast op naburige percelen.
Lid 2a afkoppelen van riolering
Vuilwaterriolering hebben onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag hierop in de basis geen hemelwater worden aangesloten. Als een perceel is aangesloten op bijvoorbeeld drukriolering, moet dus al het hemelwater op eigen perceel verwerkt worden. Gemengde rioolstelsel zorgen voor de meeste problemen als wateroverlast en ongezuiverde overstorten op oppervlaktewater. In plaats van hemelwater in het gebied te houden waar het valt om verdroging tegen te gaan wordt heel nog altijd heel veel hemel- en grondwater via deze rioolstelsels getransporteerd wordt naar de zuivering. 60mm retentie is veelal voldoende om een fikse regenbui te kunnen weerstaan.
Lid 2b Kansen benutten om ook bestaand verhard oppervlak al mee te nemen in de waterbergingsopgave.
Veelal vergt het weinig inspanning om aangrenzend verhard oppervlak mee te nemen in de hemelwatervoorziening voor nieuw verhard oppervlak. 7 mm is een oude basisinspanning die wellicht destijds geldend was in de tijd van oprichting van het bouwwerk of aanleg verharding.
Lid 2c Groene daken
De aanleg van een groen dak wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen hebben, waaronder de berging van minimaal circa 15 mm (per m2 dak) hemelwater. Daarom wordt voor het oppervlak aan groen dak geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. De norm van 60mm geldt dus niet voor het oppervlak aan groen dak. Vanzelfsprekend moet voorzien worden in de afvoer van overtollig hemelwater vanaf een groen dak bij hevige neerslag (meestal het overschot boven 15mm). De wijze van aansluiting is geregeld in het Bouwbesluit.
Lid 2d en e Werking van de voorziening
De maximale leeglooptijd wordt bepaald door de doorlatendheid van de bodem en het infiltratieoppervlak en grondwaterstand. Langere leeglooptijd beperkt de capaciteit bij herhaling van neerslag. In principe ligt hier een berekening aan ten grondslag.
In sommige gevallen (te hoge grondwaterstand, ruimtegebrek is infiltratie (aantoonbaar) niet mogelijk is, hiervoor is een conform lid 3 afvoer naar openbaar water of gemeentelijk afwateringsstelsel mogelijk zonder tussenkomst van een infiltratievoorziening maar wel met een vertraging in het afvoerdebiet van maximaal 2l/s/ha.
Lid 2f Instandhouding voorzieningen en (of) berging
Met deze verordening wordt ook de instandhouding van de voorzieningen geregeld. Ongewenste latere aanpassingen aan de afvoer van hemelwater, grondwater en stedelijk afvalwater vallen binnen deze verordening. Hierop kan handhavend opgetreden worden.
Bij elke ingreep geldt dat de al aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet af mag nemen. Als in het plangebied dus meer waterberging aanwezig was, moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterwaterberging gerealiseerd worden.
Lid 2g Geen verontreiniging
Het hemelwater mag niet door tussenkomst van activiteiten verontreinigd raken voordat het de voorziening instroomt. Hierdoor wordt voorkomen dat hemelwater de bodem of oppervlaktewater vervuild. Vervuiling kan ook optreden door uitlogende bouwmaterialen zoals zink en koper.
Lid i Oplossing voor klimaatbestendigheid
Oppervlakkige afvoer naar een de openbare ruimte of openbaar water met tussenkomst van een hemelwatervoorziening die de het grootste deel van de neerslag opvangt, teruggeeft aan de bodem en de riolering ontlast is de meest wenselijke oplossing.
Om zicht te houden op de verplichting is een termijn van 10 weken aangehouden om de hemelwatervoorziening aan te leggen en operationeel te hebben. Uitgegaan wordt van eenvoudig en robuuste maatregelen die ook in de toekomst eenvoudig te beheren en in stand te houden zijn.
Lid 4 Ontheffing
Artikel 10.32a lid 2 Wet milieubeheer luidt: ‘Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruik gemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd’. Dit is de basis voor de mogelijkheid om op grond van lid 3 ontheffing te verlenen. De beheerder kan ook ontheffing verlenen, voor het geheel of een deel van het aantal te bergen mm hemelwater in situaties waarbij een relatie aanwezig is, op het gebied van verwerken van hemelwater, tussen uitgeefbaar en openbaar gebied (evt. van toepassing op nieuwe projectmatige ontwikkelingen).
Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer een uitstel van de plicht tot het niet aansluiten op de riolering en/of op het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening of een zuiverende voorziening.
Als een ontheffing verleend is door het bevoegd gezag voor lozing op de (gemengde) riolering, dan vervalt deze zodra een gemeentelijke hemelwatervoorziening is aangelegd. Vanaf dat moment moet de perceeleigenaar voorzieningen treffen om het hemelwater op dat nieuwe stelsel te lozen en niet meer op de (gemengde) riolering.
Een afwijking of ontheffing dient afgewogen te worden in het proces van de omgevingsvergunningen/of Watertoets en waterparagraaf. Daarvoor kan er om een nader onderzoek gevraagd worden. Bijvoorbeeld het aantonen dat infiltratie niet mogelijk is met o.a. representatief bodemonderzoek of infiltratieonderzoek. Of aantonen dat er bijv. ruimtegebrek is of dat er nadelige effecten op de omgeving kunnen ontstaan. Als voorbeeld kan gedacht worden aan de aanwezigheid van grondwaterverontreiniging in de nabijheid, die door infiltratie verplaatst kan worden.
Artikel 3
- VERBOD OP LOZEN VAN HEMELWATER OP DE RIOLERING
Onderdeel van Verordening afvoer hemel- en grondwater Dongen