Bij de beoordeling van de uitgifte van groen- en reststroken dient rekening te worden gehouden met het STOMP-principe. Bij dit principe staat de privéauto niet centraal bij de inrichting van de ruimte, maar gaan we eerst uit van de voetganger (stappen), vervolgens de fietser (trappen), openbaar vervoer, mobiliteit as a service (zoals deelscooters) en tot slot persoonlijk vervoer (daaronder valt de privéauto). Dit betekent dat bij de beoordeling met elk van deze aspecten van mobiliteit rekening gehouden dient te worden.
Bij de reconstructie van de openbare ruimte wordt heringericht in de volgorde van het STOMP-principe. Dit kan betekenen dat meer openbare ruimte nodig is dan op dit moment het geval is. De groen- en reststroken kunnen niet worden uitgegeven indien de uitgifte uit verkeerskundig oogpunt onwenselijk is. Door de uitgifte van de grond mogen namelijk geen verkeersonveilige situaties ontstaan, bijvoorbeeld doordat er geen ruimte meer overblijft voor een berm, trottoir of parkeerplaatsen. Of dat zichtlijnen in het gedrang komen, waardoor een onveilige situatie ontstaat. De uitgifte van de grond kan tevens door zicht belemmerende objecten (hoge hagen of hekwerken) leiden tot onoverzichtelijke verkeerssituaties. Ook mag uitgifte van grond niet leiden tot uitwijkend verkeersgedrag waardoor bijv. een erfgrens met bijbehorende erfafscheiding te dicht op een verkeersroute komt te liggen.
Voor de verkeersveiligheid moet niet alleen gekeken worden naar de huidige situatie, maar ook naar de toekomstige (mogelijk) noodzakelijke infrastructurele werkzaamheden voor het waarborgen van de verkeersveiligheid. Bijvoorbeeld de verbreding van een fiets- of voetpad om dit netwerk uit te breiden en de veiligheid te vergroten.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.5
Criteria mobiliteit en verkeer
Onderdeel van Beleidsnota Uitgifte groen- en reststroken