Artikel 2.3.5. lid 5 van de wet geeft aan dat ondersteuning vanuit de Wmo onder andere afgestemd is op andere wetgeving.
Participatiewet
De Participatiewet is geen aan de Wmo 2015 voorliggende voorziening. De Participatiewet is een vangnet in de Sociale Zekerheid, zowel in financiële zin als in de ondersteuning naar werk. De Participatiewet richt zich op de arbeidsparticipatie en het inkomen van mensen en de Wmo 2015 op de maatschappelijke ondersteuning van mensen. De Participatiewet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden. De Participatiewet is in de plaats gekomen voor de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en een groot deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong).
Vanuit het UWV en de werkgever kan een beroep gedaan worden op hulpmiddelen in de werksituatie en voor vervoer van en naar het werk. Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht.
Jeugdwet
De Jeugdwet vervangt de Wet op de jeugdzorg die tot 2015 geldig was, en de verschillende andere onderdelen van de jeugdzorg die onder de Zvw en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vielen. Ook de jeugdbescherming en jeugdreclassering maken onderdeel uit van de wet.
De jeugdzorg is overgeheveld naar de gemeenten die zich in hun beleid moeten richten op:
het gebruik maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk. Het is belangrijk dat zij de regie blijven houden over hun leven en dat ze samen met hun eigen omgeving en professionele hulpverleners naar oplossingen zoeken;
minder snel medicijnen voorschrijven en de zorgvraag terugbrengen;
eerder (jeugd)hulp bieden op maat voor kwetsbare kinderen/jongeren
samenhangende hulp voor gezinnen: 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur;
meer ruimte voor jeugdprofessionals en vermindering van regeldruk bij hun werk.
Wet langdurige zorg
Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan maken en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daarover. Inwoners hebben recht op de Wlz als zij zijn aangewezen op permanent toezicht of 24-uurszorg, als er sprake is van:
immateriële ondersteuning en/of
materiële ondersteuning, waarbij de cliënt woont in een ZIN-zorginstelling (zie bijlage 4).
Voorts kunnen medicijnen of een behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen.
Voor cliënten die thuiswonend zijn en een modulair pakket thuis (mpt) of volledig pakket thuis (vpt)krijgen, of die in geclusterde woonvormen wonen waar ze zelf de woonlasten betalen, blijven de vervoersmiddelen, rolstoelen en woonvoorzieningen (voorlopig) ongewijzigd onder de Wmo vallen (artikel 8:6a Wmo 2015)
In bijlage 4 staat een overzicht van de ondersteuning vanuit Wmo en Wlz.
Zorgverzekeringswet
De afbakening met de Zorgverzekeringswet (Zvw) is niet geregeld bij wet. Wanneer de cliënt
via de Zvw zorg die voldoet aan de ondersteuningsbehoefte kan ontvangen ziet het college dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht.
Voorbeelden van mogelijk passende oplossingen vanuit de Zvw zijn:
Behandeling: Van de cliënt mag verwacht worden dat hij/zij doet wat in zijn/haar vermogen ligt
om herstel te bevorderen.
Uitleen van hulpmiddelen voor korte duur.
Maaltijdvoorziening en persoonlijke verzorging bij behoefte aan of risico op geneeskundige zorg (en geen aanspraak op WLZ).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2.2.
Andere wetgeving
Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2024