Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost door de inzet van een algemeen gebruikelijke voorziening. Deze gaan voor op maatwerkvoorzieningen (artikel 7 van de Verordening Wmo 2022). Het college moet wel onderzoeken of de aangevraagde voorziening ook voor die cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.
Een voorziening is een algemeen gebruikelijke voorziening als deze:
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
daadwerkelijk beschikbaar is;
een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en;
financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Dit laatste criterium gaat om de vraag of de voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Dit criterium is eind 2019 door de Centrale Raad uitgewerkt, aangezien het financiële criterium voorheen onduidelijk was (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Het betreft nu een algemene toets waarbij de gemeente ‘aan de voorkant’ kan bepalen welke voorzieningen financieel draagbaar worden geacht met een inkomen op minimumniveau. Let wel, dit is een abstracte benadering, waarbij niet relevant is of het inkomen of vermogen van de cliënt daadwerkelijk toereikend is.
Het uitgangspunt van het college is dat een voorziening financieel draagbaar is met een inkomen op bijstandsniveau als deze binnen 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. De berekening is dan als volgt: bedrag geldende bijstandsnorm x 5 % x 36 maanden. Het college sluit hiervoor aan bij de afloscapaciteit van 5% volgens de Wet vereenvoudigde beslagvrijevoet. Door deze berekeningswijze wordt er rekening mee gehouden dat een cliënt in ieder geval over het bestaansminimum kan blijven beschikken. Volgens rechtspraak is de door het college gehanteerde berekeningswijze redelijk en toegestaan. (ECLI:NL:RBDHA:2021:2084)
Individuele beoordeling
Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet altijd gekeken worden naar de algemene situatie. Daarnaast moet ook beoordeeld worden of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager.
Geeft de cliënt aan dat hij de algemeen gebruikelijke voorziening niet kan betalen, dan moet worden beoordeeld of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager. Het is dan aan de cliënt om aannemelijk te maken dat de voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Dit is uitdrukkelijk aan de cliënt, want bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening voor een ieder als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, mag het inkomen en/of vermogen geen rol spelen. De financiële situatie speelt dus alleen een rol als een cliënt betwist dat hij een algemeen gebruikelijke voorziening kan betalen. In zo’n geval kan het inkomen van de cliënt een rol spelen, maar ook het feit dat hij door een schuldsaneringstraject of beslag op zijn inkomen geen financiële ruimte heeft om te sparen of een lening af te sluiten. Als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak kunnen voorzieningen of kosten, die normaal gesproken als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, dat in specifieke gevallen toch niet zijn. (ECLI:NL:CRVB:2021:160)
Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een (tweede) trapleuning, drempelhulpen, thermosstaatkranen, tandems en fietsen met hulpmotor of trapondersteuning.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2.3.
Algemeen gebruikelijke voorziening
Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2024