Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.8

LOKALE MAXIMALE WAARDEN HERGEBRUIK VAN GROND IN DE GEBIEDEN MET TOEMAAKDEK (GEMEENTEN KAAG EN BRAASSEM, LEIDEN, LEIDERDORP, LISSE, NIEUWKOOP, TEYLINGEN, VOORSCHOTEN EN ZOETERWOUDE; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW10)

Onderdeel van Nota bodembeheer en oplegnotitie 2023-2033

De gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Teylingen en Zoeterwoude hebben in 2014-2015 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toemaakdek14Toemaakdek is een opgebrachte laag stadsvuil ter plaatse van met name veengebieden om laaggelegen, drassig gebied op te hogen en het land te bemesten. Ten gevolge van de samenstelling van de toemaakdekgrond kennen deze gebieden vaak sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK. in het landelijk gebied [2]. In bijlage 1 is voor het begrip toemaakdek een nadere toelichting gegeven. Dit beleid wordt voortgezet. De gemeente Voorschoten sluit aan bij dit beleid. In de bodemkwaliteitszone ‘B8/T8/O8. Buitengebied met toemaakdek’ overschrijden de gemiddelde waarden van een aantal stoffen de landelijke achtergrondwaarde (AW2000). Daardoor wordt de grond geclassificeerd in de ontgravingsklasse ‘Wonen’. Het landelijk gebied valt in de bodemfunctieklasse ‘Landbouw/natuur’. Hierdoor kan met de generieke regels van het Besluit alleen grond worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. De toepassingseis in de bodemkwaliteitszone ‘B8. Buitengebied met toemaakdek’ is dus strenger dan de ontgravingskwaliteit. Gevolg is dat gebiedseigen grond niet kan worden hergebruikt. Om gebiedseigen grond te kunnen hergebruiken hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd (zie tabel 4.5). De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de 95-percentielewaarde van de bodemkwaliteitszone voor het toemaakdekgebied uit 2014 [2]. Uit de bodembeheer-nota’s [2] van de gemeenten blijkt het volgende: “De 95-percentiel overschrijdt bij onze gegevens voor geen van de parameters de Interventiewaarde uit de Wet bodembescherming. De kans op het aantreffen van ernstige gevallen van bodemverontreiniging in het buitengebied, veroorzaakt door toemaak, is dus erg klein. […] Een groot deel van deze gebieden is van oudsher in gebruik als agrarisch gebied, de bekende veenweiden. Van historische verontreiniging is bekend dat deze een ander risicoprofiel kan hebben dan recenter ontstane bodemverontreiniging. Zo is van bijvoorbeeld lood, door een mate van binding aan het bodemmateriaal, de biobeschikbaarheid in werkelijkheid vaak lager dan standaard wordt aangenomen. De modellen voor risicoberekening (‘worst case’) kunnen daardoor soms een negatiever resultaat opleveren dan in werkelijkheid aanwezig is. Dit sluit aan bij het beeld dat het gebruik van deze gebieden voor agrarische doeleinden, zoals beweiding, in de praktijk niet tot problemen heeft geleid. […] Omdat de verwachting bestaat dat de historische verontreiniging eigenlijk geen bezwaar is om die grond binnen het gebied her te gebruiken, is gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor uitwisseling van grond binnen het toemaakgebied. […] Ten aanzien van grondverzet in het toemaakgebied gelden de volgende gebiedsspecifieke regels.: Van percelen met toemaak naar percelen met toemaak is (zonder bodemonderzoek) vrij grondverzet op basis van de bodemkwaliteit toegestaan. Van het ontvangende perceel moet worden vastgesteld dat het inderdaad om toemaak gaat. In beginsel volstaat daarvoor zintuiglijk onderzoek. Van percelen met toemaak naar percelen zonder toemaak is grondverzet niet vrij. Hier gelden de toepassingsregels uit het generieke beleid. Dat betekent dat aan de bodemfunctie getoetst moet worden. Zie daarvoor de bodemfunctieklassenkaart. In het algemeen zal dat voor agrarisch gebied Aw zijn. Ingeval een perceel of een partij grond van binnen het toemaakgebied onderzocht is, dient getoetst te worden aan de LMW (zie tabel 4.5). Het toemaakbeleid geldt alleen voor agrarisch en extensief recreatief gebruikt landelijk gebied. Het is geen vrijstelling voor bodemonderzoek dat om specifieke redenen zoals aanvraag bouwvergunning voorgeschreven wordt. Daarvoor gelden de gangbare onderzoekseisen en beoordelingsregels. Grond die, zintuiglijk dan wel historisch, verdacht is om andere redenen dan toemaak valt buiten dit beleid. Daarvoor gelden de gangbare regels. In geval van saneringsnoodzaak geldt dan het gebruikelijke curatieve spoor uit de Wbb. Grond van buiten het toemaakgebied naar toemaakgebied dient te voldoen aan de Aw. (De onderbouwing van de LMW had immers specifiek betrekking op toemaakdek en niet op verhoogde gehalten in het algemeen). […] Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (agrarisch en extensieve recreatie) verbonden zijn.” De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4A. Het gebiedsspecifiek beleid heeft betrekking op de bodemlaag 0-2 m-mv. Daarin bevindt zich het toemaakdek. Voorwaarde om gebruik te mogen maken van het gebiedsspecifieke beleid is dat aangetoond wordt dat in de bodemlaag waar de grond wordt toegepast, zintuiglijk sprake is van een toemaakdek. Het toemaakdek bestaat uit historisch opgebracht stadsvuil van uiteenlopende soort dat is vermengd met zand. Toemaakdek is in het algemeen te herkennen aan diverse bijmengingen (puin, scherven, stukjes ijzer, pijpenkoppen) en verkleuringen in de bovenste laag van het zandpakket. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). Tabel 4.5: Lokale Maximale Waarden toemaakdek landelijk gebied Parameter LMW (in mg/kg ds) Barium 283 Cadmium 0,76 Koper 76,5 Kwik 1,3 Molybdeen 5 Lood 373 Zink 236 PAK 2,26 Andere parameters Landelijke achtergrondwaarde (AW2000)

Rechtspraak bij dit artikel