Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid en artikel 3, tweede lid, van deze verordening wordt een maatregel opgelegd, indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 9 van deze verordening, heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. De maatregel bedraagt:
100% van de bijstandsnorm, gedurende één maand, indien belanghebbende verwijtbaar geen, of geen volledig recht heeft op een uitkering ter hoogte van het sociaal minimum krachtens een sociale verzekering of daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering, dan wel in geval van het verwijtbaar verliezen van een zodanig recht;
een verlaging van de bijstandsnorm evenredig aan de middelen die belanghebbende zou kunnen hebben ontvangen, gedurende één maand;
100% van de bijstandsnorm, gedurende de periode dat belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken zou hebben aangewend.
**2..** De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een zodanige gedraging. Waar de hoogte van de maatregel 100% bedraagt, conform het gestelde in het eerste lid onder c., wordt de duur van de maatregel verdubbeld.
**3..** Ingeval de maatregel wordt opgelegd op een incidentele bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag bedraagt de maatregel 50% van het bedrag aan bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag waarop belanghebbende recht zou hebben gehad.
HOOFDSTUK 5
Artikel 12
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (geldt alleen ingeval de WWB van toepassing is)
Onderdeel van Maatregelenverordening WWB, WIJ, IOAW en IOAZ gemeente Renkum 2011