Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.1

Indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht

Onderdeel van Beleidskader uitwegen 2024

De aanleg van een uitweg kan de veiligheid van het verkeer op de weg nadelig beïnvloeden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het verkeer geremd wordt, de doorstroming, de parkeermogelijkheden of de vrije ruimte beperkt wordt. Om de veiligheid van de weg te waarborgen worden de volgende criteria aangehouden. Per woning is één uitweg toegestaan waarbij de beschikbare diepte op particulier terrein minimaal 5,00 meter dient te zijn en de beschikbare breedte dient minimaal 3,00 meter te zijn. Dit omdat het op particulier terrein geparkeerde voertuig niet mag uitsteken op openbaar terrein en daardoor het verkeer (voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer) hindert of in gevaar brengt. Daarnaast moet er sprake zijn van een bruikbare parkeerplaats op eigen terrein. De gemeente hanteert een standaardbreedte van maximaal 4,00 meter voor een uitrit bij woningen. Bij een dubbele uitrit bedraagt de standaardbreedte maximaal 7 meter. Van een dubbele uitrit is sprake als bewoners een uitrit delen (bijvoorbeeld bij een twee-onder-een-kap woning). Een uitrit verschaft toegang tot de zijtuin naast een woning (dit betekent dus dat een tussenwoning niet kan beschikken over een uitrit). Een uitrit voor de voorgevel is niet toegestaan tenzij anders geregeld in het omgevingsplan. De gemeente hanteert een standaardbreedte van maximaal 12 meter voor uitwegen bij (agrarische) bedrijven met grote voertuigen. Het agrarisch materieel is de afgelopen jaren dusdanig breed geworden dat een smallere uitrit onvoldoende is. Daarnaast zijn de wegen vaak smal waardoor het lastig is om goed in te draaien. Voor vrachtverkeer geldt verder dat vanwege de lengte en de grote draaicirkel een smalle uitweg onwenselijk is. Uitzondering hierop is Industrieterrein de Flammert. Daar geldt de standaardbreedte van 12 meter niet, hier wordt maatwerk geleverd. Bij (agrarische) bedrijven is één uitweg toegestaan. Bij grote bedrijfspercelen kunnen echter meerdere uitwegen toegestaan worden. Er kan gemiddeld een 12 meter brede uitweg toegestaan worden per 50 meter frontbreedte van het bedrijfsperceel. De onderlinge afstand tussen de diverse uitwegen van gemiddeld 12 meter breed bedraagt in principe 50 meter. Voldoende afstand tussen uitwegen bevordert de verkeersveiligheid. Uitwegen moeten minimaal 5,00 meter afliggen van bijzondere gevaarpunten, zoals bochten van wegen, oversteekplaatsen, verkeersdrempels, wegversmallingen, kruispuntplateau’s of kruisingen. Het zicht vanaf de perceelsgrens op het verkeer (voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer) op de openbare weg maar ook vanaf de openbare weg moet zodanig zijn dat men de uitweg veilig kan gebruiken. Bij twijfel controleert de gemeente de zichtbaarheid. Denk bijvoorbeeld aan een onoverzichtelijke bocht, een bomenrij, hoge struiken of andere zicht belemmerende objecten. Ter plaatse van een bushalte is een uitweg niet toegestaan. Indien de uitweg aangelegd moet worden over een watergang of sloot waarop de Waterschapsverordening van toepassing is dient vooraf een vergunning / toestemming van het waterschap te worden verkregen. De doorstroming van water mag niet belemmerd worden.

Rechtspraak bij dit artikel