**1..** Het college weigert een daartoe strekkende aanvraag om een vergunning als het adres van de aanvrager toebehoort tot een bouw- of omgevingsvergunning, verleend na 10 oktober 1993, waarbij de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein is opgelost.
**2..** Het college weigert een daartoe strekkende aanvraag om een vergunning als het adres van de aanvrager toebehoort tot een omgevingsvergunning, waarbij de parkeerbehoefte niet of niet volledig op eigen terrein is opgelost en voor het desbetreffende adres geldt dat:
in de voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning is opgenomen dat, hoe dan ook genaamd, het adres is uitgesloten van parkeerrechten;
aan de omgevingsvergunning, hoe dan ook genaamd, een verklaring ‘afzien van parkeerrechten’ is verbonden.
**3..** Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van toepassing op:
de bewonersparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, sub a;
de verhuisparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, sub b;
de particuliere deelautoparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, sub c;
de bedrijfsparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid;
de bezoekersparkeervergunning, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, sub a;
de werknemersparkeervergunning, zoals bepaald in artikel 3, tiende lid.
**4..** Indien de parkeerbehoefte van een adres dat toebehoort tot een bouw- of omgevingsvergunning, verleend na 10 oktober 1993, deels of volledig is opgelost door gebruik te maken van openbare parkeercapaciteit, dan handelt het college bij een daartoe strekkende aanvraag om een vergunning conform de bepaling(en) zoals in de omgevingsvergunning opgenomen over de wijze waarop de parkeerbehoefte is opgelost.
**5..** Indien de, in het vierde lid bedoelde omgevingsvergunning, naar het oordeel van het college onvoldoende uitsluitsel geeft over de wijze waarop de parkeerbehoefte is opgelost, dan is artikel 6, het eerste tot en met het vierde lid, van kracht.