Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 6.

Algemene bepalingen over voorzieningen

Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet Ouder-Amstel 2023

1.. Bij het aanbieden van voorzieningen op grond van deze verordening hanteert het college de volgende uitgangspunten: het doel van het deze verordening is dat mensen behorende tot de doelgroep betaald werk verkrijgen. Het kan daarbij gaan om voltijd of deeltijd werk. Het college sluit met de ondersteuning aan bij de kansen en mogelijkheden die inwoners van Ouder-Amstel hebben; als het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid nog niet mogelijk is, worden voorzieningen aangeboden om belemmeringen met betrekking tot re-integratie weg te nemen; indien volledige uitstroom naar het oordeel van het college nog geen reële mogelijkheid is, kan het college van de uitkeringsgerechtigde verlangen dat die (onbetaalde) activiteiten naar vermogen onderneemt; Het college kan op eigen initiatief, dan wel op verzoek van de persoon uit de doelgroep of van een werkgever of beoogd werkgever van deze persoon, een of meer voorzieningen aanbieden; voorzieningen worden aangeboden vanuit een integraal perspectief van duurzame zelfredzaamheid en het terugdringen van het beroep op een uitkering. 2.. Bij de inzet van re-integratiemiddelen wordt prioriteit gegeven aan: die voorzieningen die naar het oordeel van het college het meest efficiënt zijn; bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op de inschakeling in de arbeid; een voorziening wordt slechts tijdelijk aangeboden. 3.. Het college houdt bij het aanbieden van de in de verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot 5 jaar; en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij het aanbieden van voorzieningen: mensen doen mee naar vermogen, rekening houdend met de loonwaarde, het vastgestelde arbeidsvermogen; werk staat voorop; re-integratie zoveel mogelijk regulier werk bij een werkgever; evenwichtige verdeling van inzet van re-integratiemiddelen. 5.. Het college kan voorzieningen aanbieden aan personen die niet tot de doelgroep van deze verordening behoren. Bij nadere regelgeving kan het college groepen gelijkstellen met personen behorende tot de doelgroep. 6.. De personen, die een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen, kunnen naar het oordeel van het college aanspraak maken op middelen uit het re-integratiebudget als: de resterende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet drie maanden of korter bedraagt, en de persoon op basis van een toets ingevolge de wet, IOAW of IOAZ naar alle waarschijnlijkheid op termijn in aanmerking komt voor een dergelijke uitkering. 7.. Niet-uitkeringsgerechtigden komen niet in aanmerking voor voorzieningen die een bijdrage leveren in de kosten levensonderhoud, waaronder begrepen een tijdelijke loonkostensubsidie. 8.. Niet-uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling onder voorwaarde dat: betrokkene werkloos is en ten minste drie maanden als werkzoekende staat ingeschreven bij UWV Werkbedrijf, én naar het oordeel van het college, binnen twaalf maanden een reëel uitzicht op werk heeft; én het inkomen van de belanghebbende, en indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding van de belanghebbende en de ander tezamen, niet meer bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm indien de belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen; het vermogen van de belanghebbende, en indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding van de belanghebbende en de ander tezamen, niet meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens indien de belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen. 9.. Bij een aanbod zoals bedoeld in het vijfde lid gelden de volgende voorwaarden: de ondersteuning bij arbeidsinschakeling moet binnen maximaal twaalf maanden uitzicht bieden op werk; de aanvraag is niet gericht op positieverbetering; én is een eerder ingezette voorziening aan verwijtbaar voortijdig beëindigd, dan is er gedurende maximaal twee jaar geen recht op ondersteuning. 10.. Indien belanghebbende niet of niet behoorlijk aan de verplichtingen van de wet en de verordening voldoet, kan het college bepalen geen re-integratievoorzieningen beschikbaar te stellen of lopende re-integratievoorzieningen te beëindigen. 11.. Als een re-integratievoorziening is gestart, dient belanghebbende deze af te ronden. Alleen indien de belanghebbende duurzame arbeid heeft verworven en overleg heeft gehad met het college, kan hij de re-integratievoorziening voortijdig beëindigen. 12.. Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen, naast re-integratiebedrijven, afspraken maken met derden, waaronder werkgevers. 13.. Het college draagt zorg voor goede en begrijpelijke informatie richting de belanghebbende over alle regels, rechten en plichten ten aanzien van re-integratiebedrijven en voorzieningen die onderdeel kunnen zijn van een re-integratietraject. 14.. De wederzijdse afspraken worden schriftelijk vastgelegd en aan belanghebbende kenbaar gemaakt. 15.. Voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen, stelt het college ter nadere uitvoering van deze verordening in beleidsregels vast welke voorzieningen zij kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden. 16.. Indien nodig, kan om een duurzame plaatsing te waarborgen nazorg geboden worden. De duur en invulling van de nazorg worden afgestemd op de individuele behoefte van de belanghebbende en dit wordt schriftelijk vastgelegd. 17.. Het college kan een voorziening weigeren als: de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 18.. Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder twee, van de wet; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 19.. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 20.. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel