Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.1.

Artikel 5.1.3.

Agrarische bedrijfsbebouwing

Onderdeel van Welstandsnota Goes 2016

Objectbeschrijving Agrarische erven hebben van oudsher een indeling waarbij het woonhuis voor op de kavel staat, met daarachter de schuren, loodsen en silo’s in een rechthoekig patroon. De laatste decennia vindt er een ingrijpende schaalvergroting plaats in de agrarische sector, waardoor de behoefte aan meer en grotere bedrijfsruimten is ontstaan. De oudere, meestal houten schuren maken daarbij plaats voor grotere loodsen. Sporadisch komen er ook los van bestaande bebouwingsclusters loodsen in het landschap te staan, daar waar ze vanuit bedrijfstechnisch oogpunt het meest wenselijk zijn. Hierdoor ontstaan volume- en vormcontrasten met het omliggende landschap en de oorspronkelijke bebouwing. In de meeste gevallen worden damwandprofielen en daken van plaatmateriaal toegepast. In enkele gevallen is er sprake van een gemetselde wand en/of een dak van pannen. De dakhelling van deze schuren is niet meer dan het minimaal benodigde: 25° tot 30°. De toegepaste kleurstellingen variëren tussen geel, groen, bruin en zwart voor de damwandprofielen en rood, oranje, groen en zwart voor de daken. Doordat deze nieuwe materialen niet of nauwelijks verweren blijft de oorspronkelijke kleur zeer lang behouden. Dit kan in bepaalde gevallen, zeker waar er geen afschermende begroeiing aanwezig is, een contrast opleveren met het omliggende landschap. Welstandsniveau (bijzonder) Het landschap en de aanwezige diversiteit aan landschapstypen zijn beeldbepalend voor het buitengebied. De bebouwing moet daarbij een visueel ondergeschikte rol spelen. Tegelijkertijd is de bebouwing in het buitengebied van groot belang voor de agrarische activiteiten in het gebied. Bij de welstandstoetsing dient zorgvuldig met dit gegeven te worden omgegaan. Bij het situeren van de agrarische bedrijfsbebouwing zijn aspecten als kavelafmeting, rangschikking en bedrijfsvoering bepalend. Bebouwing moet geen incident in het landschap zijn, maar moet zich naar het aanwezige ruimtelijke patroon voegen. De nieuwe volumes zouden een vanzelfsprekende plaats moeten verkrijgen in het landschap. Van belang daarbij is vanuit welke locaties het complex kan worden waargenomen. Bestaande oriëntatiemogelijkheden en zichtassen dienen zo veel mogelijk gerespecteerd te worden. De nadruk van het welstandsbeleid ligt op een zorgvuldige inpassing in het landschap en de relatie met het boerenerf, zonder dat ontwikkelingen die horen bij agrarische bedrijfsvoering of functieverandering in de weg worden gestaan. Daarom is agrarische bedrijfsbebouwing aangemerkt als bijzondere welstandsobjecten. Welstandscriteria Plaatsing Bij (vervangende) nieuwbouw respecteren van de karakteristieke erfindeling met een woonhuis (met eventueel een geschakelde schuur) voor op het erf aan de weg. Daarachter een mogelijke clustering van bedrijfsbebouwing. De bebouwing compact houden op een agrarisch bedrijfsperceel om te grote uitwaaiering te voorkomen. Hierbij is de aanbouw van nieuwe bedrijfsgebouwen aan de woonbebouwing niet toegestaan. Bedrijfsgebouwen zodanig situeren dat er sprake is van een woon- en een bedrijfszone (bij voorkeur erachter). Massa en vorm Vormgeving van bedrijfsbebouwing bestaat uit een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde gemetselde plint, die wordt afgedekt met een zadeldak zonder wolfseinden. Lengte en nokrichting van bedrijfsbebouwing haaks op de weg oriënteren. Dakvlakken minimaal een helling van 20° of meer. Gevelkarakteristiek Bij renovatie of verbouwing dient de oorspronkelijke bouwstijl en detaillering gerespecteerd te worden. (Vervangende) nieuwbouw dient in relatie tot het omliggende landschap of uitstraling van bebouwingscluster te worden vormgegeven. Bedrijfsbebouwing uitgevoerd met een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde (gemetselde) plint. Bedrijfsbebouwing eenvoudig en zorgvuldig gedetailleerd. Geen grootschalige gesloten gevelwanden. Bij voorkeur een wand met enige regelmaat onderbroken door duidelijk herkenbare gevelopeningen. Kleur en materiaal Ingetogen kleur- en materiaalgebruik en afgestemd op het landschappelijke/natuurlijke karakter van de omgeving. Gevels van bedrijfsbebouwing bestaan uit grote vlakken met materialen met een structuur zoals bijvoorbeeld baksteen, houten betimmering, geprofileerde staalplaat. Het kleurgebruik van bedrijfsbebouwing is donker en terughoudend en vormt geen storend element voor de omgeving: gevels in roodbruine baksteen of in donkere kleur groen, blauw of grijs (antraciet); dakvlakken in afwijkende kleur of kleurtoon dan gevel, donkergrijs of donkerrood en mat uitgevoerd. In ieder geval geen lichtgekleurde dakvlakken. Geen opvallende en/of felle contrasterende kleuren. Materiaal- en kleurgebruik van bijgebouwen en aanbouwen afgestemd op het hoofdgebouw.

Rechtspraak bij dit artikel