Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.1.

Artikel 5.1.2.

Zeeuwse schuurboerderijen en ‘spulletjes’

Onderdeel van Welstandsnota Goes 2016

Objectbeschrijving In Goes komen verschillende boerderijtypen voor, maar de hoofdvorm kan terug geleid worden op één basistype: de Zeeuwse Boerderij. Dit type wordt gekenmerkt door de bouw van het woonhuis aan de oostzijde en daartegenaan de schuur. Het woonhuis en de schuur hebben een steil dak en de noklijnen liggen in de lengterichting, waarbij die van de schuur hoger is dan die van het huis. Woonhuis De afmetingen van de woonhuizen variëren.. Ze bestaan doorgaans uit één bouwlaag in een gele of rode baksteen en een zadeldak bedekt met rode gebakken pannen. De kopgevel kan daarbij verschillend uitgevoerd zijn. De entree van het huis ligt meestal aan de zuidzijde, centraal in de woning. Aan beide zijden van de entree zijn twee vensters met een verticale geleding. De vensters zijn voorzien van luiken. Boven de voordeur is in veel gevallen sprake van een bovenlicht. In de gevels is sprake van een uiteenlopende detaillering. Het kleurgebruik voor het houtwerk is meestal wit, donkergroen en ‘meekrap’ rood. Dakkapellen zijn klein van formaat en plat afgedekt. Rond 1900 is men begonnen met het vervangen van de bestaande woonhuizen door vrijstaande woonhuizen op enige afstand vóór de schuur. Deze huizen staan vrijwel altijd dwars op de schuur. Schuur De schuur bestaat uit één bouwlaag van zwartgeteerde gepotdekselde houten planken, meestal op een lage gemetselde plint. Rondom alle openingen in de gevel is ter accentuering een brede witte band geschilderd. De schuur is doorgaans 10 tot 11 meter breed, waardoor deze aan minimaal één zijde uitsteekt ten opzichte van het woonhuis. De lengte van de schuur is 20 tot 25 meter. Tot 1860 werd het dak uitgevoerd in riet. Aangezien de muren toen nog vrij laag waren werd de kap ter hoogte van de mendeuren opgetild. Na 1860 werd het dak meestal uitgevoerd in dezelfde pannen als het woonhuis. De mendeuren zitten, onafhankelijk van de bouwperiode, meestal centraal in de lange zijde, en reiken tot aan de goot. In de mendeuren zitten doorgaans nog één of twee raampjes en een kleinere deur (het klinket). 'Spulletje' Een kleinere variant van de grote schuurboerderij is het zogenaamde ‘spulletje’. In tegenstelling tot de grote Zeeuwse schuurboerderij wordt een 'spulletje' juist gekenmerkt door de kleine, eenvoudige opzet. Het kleine woonhuis heeft veel weg van een klein arbeidershuisje. Het woonhuisje is doorgaans opgebouwd uit één bouwlaag in een gele of rode baksteen met een zadeldak van rode gebakken pannen. De detaillering is meestal beperkt tot het hoogst noodzakelijke. Het gepotdekselde, zwartgeteerde schuurtje is aangebouwd achter de woning en ruim twee keer zo lang als de woning. Ook hier zijn de gevelopeningen afgebiesd met een brede witte band. Erfinrichting Naast de bebouwing is ook de erfinrichting een belangrijk element bij de Zeeuwse Boerderijen. Aan de weg staat doorgaans een hek, in hout of ijzer. Op de hekpalen kan meestal de naam van de boerderij worden teruggevonden. Naast het hek zijn meestal één of twee kastanjebomen terug te vinden. Het erf zelf is doorgaans omringd met iepen, populieren, wilgen en meidoornhagen, om de wind buiten en de dieren binnen te houden. Op het erf is meestal een kleine fruitboomgaard en een zogenaamde boerentuin te vinden. Welstandsniveau (bijzonder) Zeeuwse Boerderijen en spulletjes behoren tot de cultuurhistorisch waardevolle streekeigen bebouwing van Zeeland. De karakteristieke vorm maakt dat dit type bebouwing zeer herkenbaar is en is daarmee een belangrijke verwijzing naar het agrarische verleden van de streek. De erfinrichting en beplanting heeft een belangrijke rol bij het totaalbeeld van een boerenerf. De in de gemeente aanwezige Zeeuwse Boerderijen en 'spulletjes' zijn van wisselende kwaliteit. Enerzijds zijn er perfect geconditioneerde exemplaren aan te wijzen, anderzijds zijn er ook aangetaste exemplaren. De nadruk van het welstandsbeleid ligt op het behouden van de herkenbaarheid van de karakteristieke Zeeuwse schuurvorm en de verwijzing ervan naar de oorspronkelijke agrarische functie, zonder dat ontwikkelingen die horen bij agrarische bedrijfsvoering of functieverandering in de weg worden gestaan. Daarom zijn alle bestaande Zeeuwse schuurboerderijen en 'spulletjes' aangemerkt als bijzondere welstandsobjecten. Welstandscriteria Plaatsing Vervanging van het woonhuis altijd in het verlengde van de schuur te geschieden. De voorgevel met voordeur is gericht naar de belangrijkste weg. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en nieuwe bedrijfsgebouwen achter het hoofdgebouw. Bestaande historische bijgebouwen zo mogelijk handhaven. Massa en vorm De eenvoudige en langgerekte hoofdvorm van de boerderij (woonhuis + schuur) behouden. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar. Het silhouet van de schuur mag niet worden onderbroken door wijzigingen of toevoegingen aan de kap. De nokhoogte van het woonhuis mag die van de schuur niet overschrijden. De hellingshoek van de kap moet minimaal 45° bedragen. Gevelkarakteristiek Bij renovatie of verbouwing dient de oorspronkelijke bouwstijl en detaillering gerespecteerd te worden of worden teruggebracht. Toevoegingen of veranderingen aan de gevel moeten passen binnen de bestaande verticale gevelgeleding en het stramien van gevelopeningen. Schuren moeten worden gebouwd op een gemetselde plint in gepotdekselde planken of vergelijkbaar. Grote, onvermijdelijke ingrepen aan de gevel dienen zo veel mogelijk op één punt te worden geconcentreerd. Kleur en materiaal Bij renovatie of verbouwing dient de oorspronkelijke materialisering en kleurgebruik gerespecteerd te worden of worden teruggebracht. Het dakvlak van zowel schuur als woonhuis moet worden uitgevoerd in pannen, of worden vervangen door riet. Schuren en schuurdeuren uitgevoerd in een zwarte kleur. De gevelopeningen in schuren accentueren door een witte rand. Vensters in het woonhuis uitgevoerd middels drie ruiten in T-indeling of een zes-, negen-, of meerruits indeling. Geen opvallende en/of felle contrasterende kleuren. Materiaal- en kleurgebruik van bijgebouwen en aanbouwen afgestemd op het hoofdgebouw. Zonnepanelen en -collectoren bij voorkeur alleen in het achterdakvlak.

Rechtspraak bij dit artikel