Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.2

Artikel 4.10

Criteria persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwijndrecht

Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een persoonsgebonden budget voor de inkoop van diensten, indien het persoonsgebonden budget wordt besteed bij een hulpverlener die minimaal voldoet aan de in artikel 8.3 eerste lid opgenomen kwaliteitseisen. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 van de wet opgenomen voorwaarden. In het budgetplan, zoals bedoeld in artikel 2.6, is ten minste opgenomen: wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; op welke wijze de cliënt een overeenkomst aangaat met de pgb-aanbieder; of de voorziening voldoet aan alle kwaliteitseisen die het college stelt aan de voorziening in natura en als dit niet het geval is waarom de voorziening volgens cliënt toch van voldoende kwaliteit is; op welke wijze is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor de te behalen doelen en resultaten waarvoor het pgb wordt verstrekt; op welke wijze de (kwaliteit) van de ondersteuning wordt gecontroleerd; hoe cliënt omgaat met geconstateerde onjuistheden; hoe de cliënt zelf of met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk of diens vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; indien van toepassing: wie cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Aan deze behartiger zijn dezelfde voorwaarden gebonden als aan de pgb-houder. In aanvulling op lid 3 geldt voor diensten dat in het budgetplan ten minste omschreven staat: wie de directe hulpverlener(s) is; wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid en de deskundigheid van deze vervanger; op welke wijze de cliënt de hulpverlener(s) aanstuurt in de praktijk. Een gesprek met cliënt, zijn vertegenwoordiger en/of de persoon uit het sociale netwerk die de aan een pgb verbonden taken gaat uitvoeren maakt onderdeel uit van de toetsing als bedoeld in lid 2. Het budgetplan vormt de basis voor dit gesprek. Onverminderd artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen aanspraak op een persoonsgebonden budget: indien de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet of onvolledig ingevuld heeft overgelegd; indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; indien de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; indien ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; indien de cliënt naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren, tenzij de cliënt het beheren laat uitvoeren door een derde die wel in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren; indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is; indien sprake is van vervanging van een maatwerkvoorziening in natura waarvan de afschrijftermijn nog niet is verstreken; indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding buiten Nederland. Het beheer van het persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in het zesde lid onder f kan niet worden uitgevoerd door een hulpverlener die de ondersteuning levert. Indien bij heronderzoek of tussentijdse evaluatie blijkt dat te weinig vooruitgang is geboekt met de ingezette ondersteuning, de gestelde doelen onvoldoende bereikt worden en de ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan participatie en zelfredzaamheid van de cliënt kan het college besluiten (een deel van) de ondersteuning te vervangen door specialistische ondersteuning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel