Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.2

Consequenties voor de koers riool- en waterzorgheffing

Onderdeel van Water- en rioleringsprogramma Uithoorn

In een kostendekkingsmodel is voor drie varianten geanalyseerd welke stijging van de riool- en waterzorgheffing voor de langere termijn noodzakelijk is. Dit model is exclusief een correctie voor indexatie. Belangrijk hierbij is het issue om de piek in de lasten voor de komende jaren op te vangen. De drie volgende varianten zijn beschouwd, waarbij voor alle varianten geldt dat de reserve Riolering optimaal wordt ingezet: Basisvariant, kostendekkend; Variant waarbij afboeking door de aanpassing in het overzicht van geactiveerde investeringen direct in 2023 plaatsvindt; Variant waarbij de afboeking door de aanpassing in het overzicht van geactiveerde investeringen over de jaren 2024 t/m 2028 plaatsvindt. Hierbij wordt de initiële afboeking via de Algemene Middelen gedaan en wordt in de planperiode een jaarlijkse dotatie vanuit de rioolopbrengsten gedaan, ter ‘terugbetaling’. Figuur 4-2: ontwikkeling rioolheffing planperiode Vanuit het drietal varianten is het advies om de variant aan te houden waarbij de aanpassing in het overzicht van geactiveerde investeringen wordt verrekend met de rioollasten over de komende planperiode (de groene lijnen in de grafieken). Voor de riool- en waterzorgheffing betekent dit de komende jaren een stijging, die na verloop van tijd kan afvlakken: 2023 €234,86 2024 €265,00 (+13%) 2025 €301,00 (+13%) 2026 €315,00 (+5%) 2027 €321,00 (+2%) 2028 €328,00 (+2%) Variant 1. geeft een beperkte stijging van de heffing. Hierdoor is er voldoende kostendekking voor het renoveren en vervangen van voorzieningen, maar geeft het onvoldoende middelen om de nieuwe beleidsthema’s en ambities op bijvoorbeeld het gebied van klimaatadaptatie op een adequaat niveau in te vullen. Variant 2. zou een stijging van de rioolheffing betekenen van ruim 44% in 2024, waarbij zelfs de egalisatiereserve zover geleegd moet worden dat een negatief saldo ontstaat. Overige financiering Voor een aantal maatregelen zijn derden aan zet, met name in geval van nieuwbouw en projectontwikkeling. Partijen die de klimaatadaptieve maatregelen uitvoeren zijn de projectontwikkelaar, woningbouwcorporatie en de bedrijfsverenigingen. Via het bestemmingsplan of eventuele verordening(en) worden klimaatadaptieve maatregelen opgelegd door de gemeente. Voorwaarde is wel dat dit uitgewerkt is conform het omgevingsplan. De financiering hiervan valt onder de GREX. Bij nieuwbouw zijn de kosten daarmee niet direct ten laste van de gemeente, maar kan het eventueel wel invloed hebben op de prijs voor de grond of woning. Wij zijn al actief op gebied van subsidieaanvragen zoals de Impulsregeling. Dit is een bijdrage (1/3 cofinanciering door het Rijk) aan klimaatmaatregelen. Het 2/3 deel wordt door onszelf bekostigd. De subsidie, en de verdeling daarvan, pakken wij gezamenlijk met de regio op. Tot slot gaat nog om de overige kosten, zoals de inzet personeel uit de gemeentelijke ambtelijke organisatie (capaciteit) en de onderzoeks- en projectuitgaven die niet gekoppeld kunnen worden aan de gemeentelijke watertaken (zoals de aanpak van droogtestress of hittestress). Deze moeten bekostigd worden uit de Algemene middelen, welke voor een deel gevuld wordt vanuit de OZB.

Rechtspraak bij dit artikel