Om de kwaliteit en kwantiteit van het groen in de gemeente te behouden en verbeteren, worden de volgende punten nagestreefd. Daarna worden deze in principes uitgewerkt.
De 3-30-300 richtlijn is van toepassing, maar wel met een ‘Medembliks’-sausje (zie kader op de volgende pagina).
Het streven is tenminste 40% schaduw voor langzaamverkeersroutes en verblijfsplekken tijdens de hoogste zonnestand in de zomer (volgend: Intentieovereenkomst Klimaatbestendige Nieuwbouw).
We maken zoveel mogelijk gebruik van landelijke normen, zoals die van het CROW en Handboek Bomen.
Bij (her)inrichting, beheer en onderhoud volgen we de Wet Natuurbescherming en wordt de Gedragscode Soortbescherming voor gemeenten gehanteerd.
Om meer groen te verkrijgen, is de gezonde ontwikkeling van bestaand groen belangrijk. Bij alle afwegingen waarbij groen en bomen betrokken zijn, is behoud van de kwaliteit en de toekomstbestendigheid ervan leidend. Dit geldt in het bijzonder voor openbaar groen dat onder de hoofdgroenstructuur valt en kwalitatief groen zoals de ‘Waardevolle bomen’.
Bij de keuze voor verkoop van restpercelen (definitie zie paragraaf grondbeleid) worden kansen voor groen en aanwezige groenkwaliteit meegenomen in de afweging. Dit geldt ook voor snippergroen binnen de bebouwde kom.
Geen verkoop van openbaar groen waarin gemeentebomen groeien, tenzij er sprake is van een groot belang bij de verkoop. Bij verkoop (in geval van groot belang) worden bomen die de gemeente wenst te behouden als 'Waardevolle boom' geregistreerd.
We willen onze bestaande bomen zoveel mogelijk behouden, maar dit is niet altijd mogelijk. Als er bomen gekapt moeten worden, dan wordt dit onderbouwd door een boomveiligheidscontrole (BVC) of een bomen effect analyse (BEA)*.
Bij noodkap moet een boom vanwege acuut gevaar zo snel mogelijk worden gekapt. Hiervan is sprake als een boom eerder dreigt om te vallen of af te breken dan er een kapvergunning verkregen kan worden. Ook kan er sprake zijn van een zeer besmettelijke en op korte termijn dodelijke boomziekte (zoals iepziekte). In dit geval moet een boom met spoed worden gekapt om verdere verspreiding te voorkomen. Noodkap wordt terughoudend toegepast. Over noodkap wordt achteraf gecommuniceerd. Hierbij wordt ook gemeld hoe het verlies wordt gecompenseerd (bijvoorbeeld door herplant van een nieuwe boom).
We zetten in op toekomst- en klimaatbomen. Toekomstbomen krijgen een groeiplaats waar ze optimaal kunnen groeien en oud kunnen worden. Klimaatbomen zijn bestand tegen het veranderende klimaat.
We kiezen voor meer diversiteit in het bomen- en plantenbestand. Inheemse soorten hebben de voorkeur, maar uitheemse soorten kunnen ook meerwaarde hebben.
Waar mogelijk richten we oevers natuurvriendelijk in. Daar hoort ook ander beheer bij.
Waar mogelijk passen we natuurgericht beheer toe. Dit zorgt voor een ander beeld en voor meer biodiversiteit.
De kwaliteit van inrichting en beheer van het groen kan verschillen: op toeristisch belangrijke plekken, belangrijke zichtplekken en ‘groene hotspots’ is het niveau hoger.
We willen een robuust groenblauw netwerk in de gemeente. Dit moet worden versterkt en verbonden.
De landschappelijke en stedenbouwkundige karakteristieken van de verschillende wijken en het buitengebied blijven herkenbaar aanwezig.
We willen meer aantrekkelijke, groene (natuurlijke) speelplekken.
Wandelen, fietsen en hardlopen door het groen is prettig, daarom zetten we ons ervoor in om dat mogelijk te maken.
Bij de keuze van bomen, bermmengels, andere beplanting en het beheer hiervan houden we rekening met de belangen van de land- en tuinbouw en veeteelt in de omgeving.
We geven inwoners de ruimte om de openbare ruimte te vergroenen, bijvoorbeeld door geveltuinen aan te leggen. We hanteren daarbij onze spelregels voor adoptiegroen die separaat zijn uitgewerkt.
We hanteren groenprioriteiten in een afwegingskader: voeg waar mogelijk bomen toe (in straten en op plekken met geen tot weinig groen). Hierbij bepaalt de beschikbare boven en ondergrondse groeiruimte het sortiment. Bomen van de 1e grootte (hoogte op volwassen leeftijd 15 m) waar mogelijk, maar kleinere bomen waar nodig. Voeg ander groen toe waar geen bomen passen.
Bij een Bomen Effect Analyse (BEA) wordt de kwaliteit van de aanwezige bomen bepaald en wordt onderzocht welk effect de voorgenomen werkzaamheden hebben op deze bomen. Aan de hand daarvan kan worden bepaald:
of er bomen moeten worden gekapt;
of er alternatieven zijn waarbij bomen behouden kunnen blijven;
welke beschermende maatregelen er nodig zijn om de overige bomen duurzaam te behouden.
Aanvullend op de Beleidskaders Groen volgt hier een nadere invulling op de 3/30/300 regel:
3/30/300 (vuist)regel uitgewerkt voor Medemblik
In de groenvisie is afgesproken dat de gemeente zich inspant om zo veel mogelijk invulling te geven aan de 3-30-300 vuistregel. Voor de gemeente Medemblik betekent dit dat de ambitie is dat je vanuit elke woning drie bomen ziet, dat 30% van de openbare ruimte groen is, en dat er vanuit elke woning op 300 meter afstand een (verkoelend) parkje is. Bij het bepalen van deze 30% wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van boomkronen (richtlijn is hierbij het beeld van 20 jaar na aanplant).
Als wordt aangetoond dat deze doelstelling ter plaatse niet haalbaar is, dan geldt:
Richt het restant dan zo dichtbij mogelijk in, bijvoorbeeld als park, bos of groenstrook om de wijk heen.
Betrek groen op particulier terrein bij het totale groenoppervlak en toon aan dat het particuliere groen langdurig bijdraagt aan de doelstellingen.
Aanvullende richtlijnen:
We maken zoveel mogelijk gebruik van landelijke normen, zoals die van het CROW en Handboek Bomen.
We hanteren de definitie van een boom, zoals omschreven in de Verordening Fysieke Leefomgeving.
Tekstkader: Afwegingskader
Toepassen groen:
Werk van grof naar fijn: bepaal eerst groenambities en de groenstructuur (Gebruik hierbij de structuurkaart en -paspoorten als leidraad); aanvullend: bepaal bij ontwikkelingen eerst de groenblauwe hoofdstructuur met elementen, waarna functies verder ingevuld worden.
Bepaal het type groenelement en functie ervan (aansluitend bij groenambities en structuur). Stem keuze voor beplanting hierop af.
Bomen van de eerste grootte (hoogte op volwassen leeftijd tenminste 15 m) waar mogelijk, maar kleinere bomen waar nodig. Voeg ander groen toe waar geen bomen passen. Kijk hierbij eerst naar de mogelijkheid om bovengrondse en ondergrondse ruimte te creëren (waarbij belang van groen per plek wordt meegenomen), en als dat niet mogelijk is, kies dan een andere oplossing (bijv. andere grootte of vorm, of andere groene invulling).
Compenseer groen elders wanneer niet kan worden voldaan aan de normen of wanneer groen niet in de huidige vorm en kwaliteit teruggeplaatst kan worden.
Soortkeuze:
Bepaal soortkeuze en element op basis van ambities (gebruik hierbij de structuurkaart en -paspoorten als leidraad) en pas daarna op basis van de landschappelijke ondergrond (denk hierbij aan klimaatvraagstukken als vernatten of cultuurhistorische waarden).
Pas waar mogelijk afwisselend, inheems en divers groen toe. Uitzonderingen hierop zijn een (cultuur)historisch beeld of landschap waar karakteristieke soorten horen, plekken met extreme omstandigheden waar sterke soorten noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld veel wind of natte bodem), gebieden met kwetsbare doelgroepen waar soorten toegepast worden die geen negatieve effecten hebben op de gezondheid.
Hou altijd rekening met een duurzame inrichting: het groen moet goed te beheren zijn en gezond en veilig blijven.
In de volgende paragraaf en in de groenstructuurpaspoorten worden principes weergegeven. Deze zijn zo geformuleerd dat ze optimaal bijdragen aan een thema of element in het groenstructuurpaspoort. Er zal echter altijd een integrale afweging gemaakt worden. Daarnaast zal het ook voorkomen dat er tussen verschillende ambities en doelen binnen groen afwegingen gemaakt moeten worden. Daarvoor geldt het afwegingskader zoals hiernaast is weergegeven.
Tekstkader: wat is inheemse beplanting?
Een soort is inheems als deze hier van nature voorkomt. Een uitheemse soort (exoot) daarentegen komt van nature niet in Nederland voor, maar elders, bijvoorbeeld in Zuid-Europa, de Verenigde Staten of in China. Met beide, inheemse en uitheemse soorten, hebben we veel te maken. Onze wilde flora bestaat in principe uit inheemse soorten. In de meeste gevallen is het onderscheid tussen inheemse en uitheemse soorten duidelijk, maar er is ook een grijs gebied. Soms kunnen uitheemse soorten verwilderen of zelfs inburgeren. Een ingeburgerde soort is van oorsprong een uitheemse soort die zich in Nederland heeft gevestigd en zich al minstens drie generaties lang spontaan in de natuur heeft weten te handhaven. Veel Nederlandse floristen (bijvoorbeeld Stichting FLORON) beschouwen ingeburgerde soorten als inheems.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
De basis: algemene uitgangspunten, richtlijnen en normen
Onderdeel van Groenstructuurplan