Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.4.

Artikel 2.4.2

Draagkracht op grond van het inkomen

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2012

Het dagelijks bestuur bepaalt zelf welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De wetgever heeft hiermee het dagelijks bestuur de vrijheid gegeven om te beoordelen in hoeverre belanghebbende op grond van artikel 31, tweede lid, WWB vrijgelaten in- komen kan aanwenden, om de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd te voldoen. Te- vens kan het dagelijks bestuur rekening houden met buitengewone lasten of persoonlijke omstandig- heden van belanghebbende. Op grond van deze door het dagelijks bestuur vast te stellen in aanmer- king te nemen middelen wordt de draagkracht berekend door hierop het draagkrachtpercentage los te laten. Is sprake van een gezin, dan tellen alle middelen van de in de bijstand begrepen meerderjarige gezinsleden mee voor het bepalen van de draagkracht. Het recht op bijzondere bijstand komt immers het gezin toe (zie artikel 35, eerste lid, WWB). Het is gemeentelijk beleid of bij de vaststelling van het netto-inkomen rekening wordt gehouden met het recht op vakantietoeslag over dat inkomen en zo ja, op welke wijze de hoogte van de vakantietoeslag wordt bepaald. Echter: ook indien ervoor heeft gekozen om bij de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen de vakantietoeslag buiten beschouwing te laten geldt dat het inkomen moet worden afgezet tegen de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Dit volgt uit artikel 19, tweede en derde lid, WWB jo. artikel 35, eerste lid, WWB. 2.4.2.1In aanmerking te nemen middelen / inkomsten Op grond van artikel 35, eerste lid, WWB kunnen alle inkomsten en middelen bij de berekening van de draagkracht op grond van het inkomen worden betrokken. Niet als inkomen worden bijvoorbeeld de kinderbijslag, de zorg- en huurtoeslag en de bijdrage voor eigenwoningbezit, aangemerkt. Immers, ook bij het bepalen van de norm voor algemene bijstand wordt geen rekening gehouden met deze inkomsten. Deze middelen worden namelijk gezien als ver- goedingen voor noodzakelijke bestaanskosten. Uitzondering hierop vormt bijvoorbeeld de eventueel ontvangen huurtoeslag of de bijdrage voor eigenwoningbezit, wanneer een woonkostentoeslag ver- strekt wordt. Bij het bepalen van het inkomen wordt dus rekening gehouden met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, WWB, met de onderstaande uitzonderingen: Huurtoeslag en de bijdrage voor eigenwoningbezit De ontvangen huurtoeslag of de bijdrage voor eigenwoningbezit wordt meegerekend bij de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag, die in het kader van de bijzondere bijstand wordt verstrekt. Teruggaaf van de Belastingdienst Vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de ver- mindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijzondere bijstand is verstrekt. Rente Geen rekening wordt gehouden met de ontvangen rente over vermogen. Jonggehandicaptenkorting Geen rekening wordt gehouden met de jonggehandicaptenkorting. De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. De jonggehandicaptenkorting is voor de systematiek van de bijstand vergelijkbaar met de ouderenkorting. Waar deze laatste korting via de normensystematiek bij de bijstandsverlening is betrokken (artikel 22) is er, gezien de beperktere omvang van de doelgroep, ten aanzien van de jonggehandicapten ervoor gekozen om de korting niet tot de middelen te rekenen. Inkomsten kinderen Inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, waarbij voor 16- en 17-jarigen een maximum geldt van € 827,-- per maand, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen. Premie Premies, die de belanghebbende kan ontvangen in het kader van de inschakeling in arbeid, worden niet in aanmerking genomen als inkomen. De gemeente kan een dergelijke premie verstrekken met het oog op het bevorderen van positief gedrag gericht op uitstroom naar betaalde arbeid. Wanneer deze premie in aanmerking wordt genomen als inkomen, wordt positief gedrag bestraft met een lagere bijzondere bijstandsverlening. Mocht overigens tegenover de premie kosten staan, waarvoor bijzondere bijstand verstrekt wordt, wordt wel rekening gehouden met de ontvangen premie. In een dergelijk geval wordt namelijk de hoogte van de bijzondere bijstand verminderd met de ontvangen premie. Vrije vergoedingen en verstrekkingen (Hoofdstuk IIa Wet op de Loonbelasting 1964) Onder vrije vergoedingen en verstrekkingen, zoals in hoofdstuk IIa van de Wet op de Loonbe- lasting 1964 wordt onder andere verstaan, vergoedingen voorzover zij geacht worden te zijn verstrekt voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Gedacht kan worden aan werkkleding, vakliteratuur en cursussen van de werkgever. Deze vergoedingen en verstrekkingen worden niet in aanmerking genomen als inkomen, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend. Inkomensvrijlating Artikel 31, tweede lid, onder n, WWB: inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 192,-- per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en dit naar het oordeel van het college bij- draagt aan zijn arbeidsinschakeling, worden bij de bepaling van de hoogte van de algemene bijstand niet in aanmerking genomen als inkomsten. Deze inkomensvrijlating wordt eveneens toegepast bij het bepalen van de draagkracht op grond van het inkomen, tenzij het een persoon betreft jonger dan 27 jaar (artikel 31, derde lid, WWB). Inkomensvrijlating alleenstaande ouder Artikel 31, tweede lid, onder r, WWB: inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen tot 12,5 procent van deze inkom- sten, met een maximum van € 120,-- per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval: hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar, de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling; Deze inkomensvrijlating wordt eveneens toegepast bij het bepalen van de draagkracht op grond van het inkomen, tenzij het een persoon betreft jonger dan 27 jaar (artikel 31, derde lid, WWB). Studiefinanciering en Tegemoetkoming studiekosten Indien studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering (WSF) wordt ontvangen wordt al het inkomen dat meer bedraagt dan het in de studiefinanciering begrepen normbe- drag voor levensonderhoud (conform artikel 33, tweede lid, WWB) aangemerkt als draag- kracht, waarop de draagkrachtberekening wordt toegepast. Bij de Wet tegemoetkoming stu- diekosten (WTOS) wordt als draagkracht aangemerkt al het inkomen dat het normbedrag voor de basistoelage als bedoeld in artikel 26 WWB van die wet te boven gaat. Giften Giften worden eveneens niet tot de middelen gerekend voor zover dat, gezien de bestemming en de hoogte van de gift, uit oogpunt van bijstandverlening verantwoord is. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van de gift geldt dat het in de rede ligt om de gift in aanmerking te nemen voor zover cumulatie daarvan met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is. Wat betreft de bestemming is met name van belang of de gift betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Als dit het geval is, of als de gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding zijn om de gift volledig in aanmerking te nemen bij de bijzondere bijstandsverlening. Kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk Een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95,00 per maand met een maximum van € 764,00 per jaar wordt niet in aanmerking genomen als inko- men (bedragen conform artikel 7, onderdeel h, Regeling Wwb en geldend per 1 januari 2010). Een kostenvergoeding wordt namelijk verstrekt, wanneer door de belanghebbende kosten gemaakt worden. Wanneer de kostenvergoeding hoger is dan het maximale bedrag per jaar, wordt deze hogere vergoeding wel tot de middelen van de belanghebbende gerekend, tenzij tegenover deze hogere vergoeding hogere onkosten voor het verrichten van vrijwilligerswerk staan. Wanneer bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kosten, waarvoor de kostenvergoeding in feite bedoeld is, wordt bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand rekening gehouden met die kostenvergoeding. 2.4.2.2 Uitgangspunten bij het bepalen van de draagkracht grond van het inkomen Uitgangspunten bij het bepalen van de draagkracht grond van het inkomen Bij het bepalen van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen rekening gehouden met de vraag of men de woonkosten en vaste lasten kan delen (bij alleenstaande en alleenstaande ouders wordt dus uitgegaan van de maximale toeslag van 20% en bij gehuwden/en samenwonen- den wordt geen rekening gehouden met een korting). De draagkrachtberekening geldt alleen voor de individuele bijzondere bijstand. Voor de overige minima regelingen is een maximuminkomen vastgesteld, zodat een draagkrachtberekening niet van toepassing is. Bedraagt het inkomen meer dan de vastgestelde norm, dan bestaat geen recht op een vergoeding op grond van de betreffende minimaregeling. Bij een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van een minimaregeling dient wel, om de hoogte van het inkomen te kunnen vaststellen, de uit- gangspunten die gelden bij de draagkrachtberekening voor de individuele bijstand te worden aan- gehouden. Indien bijzondere bijstand wordt verstrekt voor algemene bestaanskosten, dan dient het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde inkomensgrens (110% of 125%), als draag- kracht te worden aangemerkt. Voor de vergoeding van bijzondere kosten dient een eigen bijdrage berekend te worden als de aanvrager ruimte in het inkomen heeft boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De ‘ruimte in het inkomen’ (ook wel als meerinkomen aangeduid) is het verschil tussen het inkomen (exclu- sief vakantiegeld) en de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief maximale toeslag, inclusief vakantiegeld. Door rekening te houden met de maximale toeslag wordt de van toepassing zijnde bijstandsnorm hoger. Dit is de meest gunstige regeling voor de aanvrager. Het is gemeentelijk beleid of bij de vaststelling van het netto-inkomen rekening wordt gehouden met het recht op vakantietoeslag over dat inkomen en zo ja, op welke wijze de hoogte van de vakantietoeslag wordt bepaald. Echter: ook indien ervoor wordt gekozen om bij de bereke- ning van het in aanmerking te nemen inkomen de vakantietoeslag buiten beschouwing te laten geldt dat het inkomen moet worden afgezet tegen de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Dit volgt uit artikel 19, tweede en derde lid, WWB jo. artikel 35, eerste lid, WWB. Voor personen onder de 65, met arbeidsmarktperspectief, wordt een eigen bijdrage berekend als het inkomen meer bedraagt dan 110% van de bijstandsnorm. De eigen bijdrage bedraagt 35% van het meerinkomen. Voor de doelgroepen die geen arbeidsperspectief hebben wordt een eigen bijdrage berekend als het inkomen meer bedraagt dan 125% van de bijstandsnorm. De eigen bijdrage bedraagt 35% van het meerinkomen. Doelgroepen die volgens de richtlijnen van de bij- zondere bijstand geen arbeidsperspectief hebben zijn: ouderen vanaf 65 jaar; personen die behoren tot de doelgroep chronisch zieken, gehandicapten en ouderen; anderen die door de gemeente beoordeeld zijn als mensen die langdurig op het minimumniveau leven en bij wie (verder) arbeidsperspectief ontbreekt. Deze beoordeling wordt op individuele basis gedaan en in een rapportage vastgelegd (maatwerk). Bij gezinnen waarvan één gezinslid onder de doelgroep valt met arbeidsperspectief en één of meerdere gezinsleden valt/ vallen onder de doelgroep zonder arbeidsperspectief wordt een eigen bijdrage berekend indien het inkomen meer bedraagt dan 125% van de bijstandsnorm. Er wordt geen rekening gehouden met een drempelbedrag. Op het inkomen van een bewoner in een gezinsvervangend tehuis of soortgelijke instelling wordt de eigen betaling welke de bewoner verschuldigd is ingevolge de artikelen 4 en 14 van het Bijdra- gebesluit zorg in mindering gebracht. Indien de draagkracht minder bedraagt dan € 50,-- per draagkrachtperiode, dan wordt deze buiten beschouwing gelaten. Indien op (een deel van) het inkomen van belanghebbende executoriaal beslag is gelegd waardoor belanghebbende terzake dat (deel van het) inkomen geen feitelijke bestedingmogelijkheid heeft, noch beschikkingsbevoegd is, noch een mogelijkheid heeft om het hem uit te laten betalen, mag het college bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand met dat (deel van het) inkomen geen rekening houden, omdat belanghebbende niet redelijkerwijs kan beschikken over dat (deel van het) inkomen (zie CRvB 28-03-2006, nr. 04/5465 NABW). Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het dagelijks bestuur enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295, tweede lid, Fw buiten de boedel worden gelaten. Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 90% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draag- kracht zal kunnen bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsrege- ling van toepassing is. De belanghebbende die in budgetbeheer zit en/of bij wie in het kader van de schuldsanering een minnelijke regeling is afgesproken, wordt geacht geen draagkracht te hebben, tenzij dit naar het oordeel van het dagelijks bestuur onevenredig is bij de toepassing van deze beleidsregels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel