Het dagelijks bestuur heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht op grond van het vermogen van de belanghebbende. Deze volledige vrijheid wordt gegeven in artikel 35, eerste lid, WWB. Dit artikel stelt namelijk, dat bij de vaststelling van de draagkracht in het vermogen artikel 34, tweede lid, WWB niet van toepassing is.
Bij het vaststellen van de draagkracht op grond van het vermogen voor bijzondere kosten wordt aan- gesloten bij de vermogensvaststelling, zoals bepaalt in artikel 34 WWB. Het vermogen wordt vastge- steld door de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken te verminderen met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het econo- mische verkeer bij vrije oplevering.
Opgemerkt wordt, dat de draagkrachtberekening op grond van het vermogen geldt voor de individuele bijzondere bijstand en voor de (categoriale) minimaregelingen. Een uitzondering bestaat voor aanvra- gen Declaratiefonds ouderen, voor een vergoeding in de kosten van een gehandicaptenparkeerkaart en, ingeval de aanvrager behoort tot de doelgroep chronisch zieken, bij het recht op deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering.
Voor de vaststelling van het vermogen voor de overige (categoriale) minimaregelingen dient bij de navolgende draagkrachtregels te worden aangesloten. Bedraagt het vermogen meer dan het vrij te laten vermogensbedrag, dan bestaat er geen recht op een vergoeding op grond van de bijzondere bijstand c.q. (categoriale) minimaregeling.
Bezittingen
Bezittingen kunnen zowel uit geldwaarden bestaan als alle uit op geld waardeerbare goederen. Dit betekent, dat ook bezittingen in natura, die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin, noodzakelijk zijn, worden meegenomen bij het vaststellen van het vermogen. Naast het in ogenschouw nemen van de feitelijk aanwezige bezittingen, dient tevens te worden nagegaan of er sprake is van bezittingen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.
Bij het vaststellen van het vermogen wordt geen rekening gehouden met de bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de al- leenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin, noodzakelijk zijn. Van enkele vermogensbestanddelen is namelijk het ongewenst of onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen. Dit geldt allereerst voor bezittingen in natura die, wat hun aard en waarde betreft, algemeen gebruikelijk zijn. Zo wordt een gebruikelijke woninginrichting niet als vermogen aangemerkt.
Beseft moet worden, dat wanneer een gebruikelijke woninginrichting wel als vermogen aangemerkt wordt, bij elke aanvraag om bijzondere bijstand de aanwezige woninginrichting getaxeerd op waarde dient te worden. Deze expertise is echter niet in huis; het inhuren van deze expertise zal ten koste gaan van het budget bijzondere bijstand. Ook bezittingen in natura die voor de belanghebbende, gelet op diens persoonlijke omstandigheden, noodzakelijk zijn, worden nu buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van diens vermogenspositie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan - vaak kostbare - voorzieningen in verband met invaliditeit.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt, dat de waarde van een in bezit van de aanvrager zijnde auto/ motor wel meegenomen wordt bij het vaststellen van het vermogen. De waarde van de auto wordt vastgesteld aan de hand van de ANWB-koerslijsten. Uitzondering hierop vormt het in bezit hebben van een auto/ motor wegens noodzakelijkheid, als invaliditeit of werk. In een dergelijk geval dient echter wel de noodzaak van het hebben van een auto/ motor aangetoond te worden. Tevens wordt de waarde van een auto/ motor niet als vermogen aangemerkt, wanneer de auto/ motor ouder is dan 10 jaar.
Schulden
Met schulden wordt rekening gehouden, ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandverlening zijn ontstaan. Bij de beoordeling van de op de bezittingen in mindering te brengen schulden is niet van belang op welke termijn de belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Wel dient, wil van een feitelijk aanwezige schuld sprake zijn, een daadwerkelijke ver- plichting tot terugbetaling te bestaan. De belanghebbende dient dit aan te tonen. Het kan voorkomen dat op het moment van de bijstandsaanvraag een betalingsverplichting nog niet onomstotelijk vaststaat, bijvoorbeeld omdat betrokkene deze in rechte betwist. Dan kan slechts met de betreffende schuld rekening worden gehouden wanneer is komen vast te staan dat betrokkene ook daadwerkelijk tot die terugbetaling verplicht is.
Bescheiden vermogensbedrag
Hoofdregel is, dat bij periodiek terugkerende en medische kosten geen rekening wordt gehouden met het aanwezige en vastgestelde vermogen voor zover dit minder is dan de van toepassing zijnde ver- mogensgrens.
Wel wordt rekening gehouden met het gehele aanwezige vermogen, indien een aanvraag om bijstand wordt ingediend voor kosten, waar men geacht wordt voor te reserveren (hetzij vooraf, hetzij achteraf middels een lening). Het gaat hierbij bijvoorbeeld om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en inrichtingskosten en dergelijke. Hierbij is uitgezonderd een bedrag van € 1.500,-- voor de betaling van lopende verplichtingen (uitgaande van het vermogen dat aanwezig is per de eer- ste van de maand waarin de aanvraag is ingediend). Vermogen boven het bedrag van € 1.500,-- dient te worden aangewend voor de betaling van de duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en inrichtings- kosten en dergelijke.
Extra vermogensvrijlating voor ouderen
Bij het vaststellen van het vermogen kunnen ook voorzieningen meegenomen worden, die bestemd zijn voor toekomstige uitvaartkosten. Voornamelijk bij ouderen boven de 65 jaar, die in de loop der jaren een dergelijke voorziening hebben opgebouwd, kan een aanvraag om bijzondere bijstand wor- den afgewezen wegens overschrijding van de vermogensgrens.
Bij éen of meerdere ouderen boven de 65 jaar, die bijzondere bijstand aanvragen, wordt rekening ge- houden met een extra vrijlating voor uitvaartkosten van € 5.500,-- per persoon. Hiervoor geldt wel, dat voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn, dat dit vermogen ook uitsluitend voor die uitvaart/ crematie wordt aangewend. De vrijlating dient op de waarde van een eventuele uitvaartverzekering in mindering te worden gebracht. De meerwaarde wordt wel meegenomen bij het vaststellen van het vermogen.
Vermogensvrijlating bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Het in artikel 18 van de WWB opgenomen afstemmings- of individualiseringsbeginsel houdt onder andere in het aanspreken op de persoonlijke verantwoordelijkheid. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is niet nader gedefinieerd.
Duidelijk is dat het steeds gaat om situaties waarin iemand (eerder) een beroep moet doen op bijstand door een onverantwoord geachte keuze die hij gemaakt heeft. Voorbeelden hiervan zijn: het niet afsluiten van normaal geachte verzekeringen, het aanschaffen van niet noodzakelijke goederen en/of het aangaan van schulden daarvoor, het niet aanspreken van voorliggende voorzieningen, het achterwege laten van betaling van noodzakelijke kosten uit het norminkomen (huur, gas, water).
Wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt aansluiting gezocht bij de Afstemmingsverordening. De te verstrekken bijzondere bijstand wordt afgestemd op de gedraging, waarbij de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden beoordeeld dient te worden.
Vermogensvrijlating bij overbruggingsuitkering
Een overbruggingsuitkering is bedoeld voor de betalingen van lopende verplichtingen. Dit betekent dat bij de beoordeling op het recht op een overbruggingsuitkering rekening dient te worden gehouden met al het aanwezige vermogen. Immers een overbruggingsuitkering heeft tot doel de lopende kosten, tot de eerstkomende betaling van de uitkering dan wel regulier inkomen, op te vangen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.4.
Artikel 2.4.3
Draagkracht op grond van het vermogen
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2012