Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.4.

Artikel 2.4.6.

Draagkracht bij zelfstandigen

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2012

In het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) zijn regels gesteld met betrekking tot het verlenen van, voor zover hier van belang, algemene bijstand aan zelfstandigen. Om in het kader van bijstandsverlening als zelfstandige te kunnen worden beschouwd, moet zijn voldaan aan de crite- ria genoemd in het Bbz 2004. Een persoon, die niet voldoet aan (één van) deze criteria, behoort niet tot de kring van rechthebbende zelfstandigen en is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Een belanghebbende die niet als zelfstandige als omschreven in het Bbz 2004 kan worden aange- merkt behoort tot de kring van rechthebbende van de WWB. Staat daarentegen vast dat een belang- hebbende wel aan de in het Bbz 2004 vermelde criteria voldoet, dan brengt dit mee dat hij slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 eventueel aan- spraak kan maken op bijstand. Dit betekent, dat de belanghebbende geen recht heeft op algemene bijstand ingevolge de WWB, maar aan de zelfstandige kan wel bijzondere bijstand worden verleend voor bijzondere kosten die het ge- volg zijn van bijzondere, individuele, omstandigheden en waarvoor de algemene bijstand niet voorziet. Voor de verlening van deze bijzondere bijstand is het geen vereiste dat de zelfstandige algemene bij- stand ontvangt. Opgemerkt wordt het volgende. De uitkering voor levensonderhoud bestaat, gelijk aan de tot 2004 geldende regelgeving, uit de algemene bijstand, bedoeld in hoofdstuk 3 WWB, verhoogd met de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor de volgende kostensoorten: de verschuldigde woonkosten, voor zover de kosten niet uit de bijstandsnorm kunnen worden betaald en geen huurtoeslag of subsidie op grond van de Wet bevordering ei- genwoningbezit wordt ontvangen; de verschuldigde premie voor een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij de beoordeling van de vraag of de bijzondere bijstand kan worden verleend is het van be- lang dat de verzekeringskosten van de zelfstandige die een verzekering tegen arbeidsonge- schiktheid heeft afgesloten, mede gezien de eventuele acceptatieproblemen na afloop van de bijstandsverlening, doorgaans tot de noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden gerekend (toelichting art. 1, onderdeel f, Bbz). Met betrekking tot de woonkostentoeslag is van belang dat de huurtoeslag wordt berekend op basis van het inkomen over het tijdvak van de huurtoeslag, dus niet meer over het voorgaand genoten inkomen. Op basis van een inkomensschatting wordt de toeslag bepaald. Na afloop van het kalenderjaar wordt naar aanleiding van de belastingaanslag de toeslag definitief vast- gesteld. Door deze systematiek hoeft geen bijzondere bijstand meer te worden verleend voor de woonkosten ter overbrugging tot een volgende vaststellingsperiode, zoals bij de huursubsi- die nog het geval kon zijn. Het verlenen van een woonkostentoeslag blijft vanaf 2006 beperkt tot zelfstandigen met een huur boven de huurgrens en met een woning in eigendom. Bij de bepaling van de bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de zelfstandige en zijn gezin. Artikel 35 WWB is hierbij van toepassing, dat wil zeggen dat er een ge- meentelijke vrijheid bestaat ten aanzien van de bepaling van de draagkracht in inkomen en vermogen, de toepassing van het drempelbedrag, de vaststelling van de draagkrachtperiode en de vaststelling van het begin van de draagkrachtperiode. Bij zelfstandigen kan het veel uitmaken of rekening wordt gehouden met het inkomen over een reeds afgesloten boekjaar, of met het inkomen over het lopende boekjaar. In het laatste geval is het inkomen echter nog niet bekend op het moment waarop de bijzondere bijstand wordt verstrekt. De bijstandswet voorziet niet in de mogelijkheid om in dat geval de bijzondere bijstand in eerste instantie als renteloze geldlening te verstrekken. Artikel 48 van de WWB geeft immers dwingend aan dat de bijstand wordt verleend om niet, tenzij in de WWB anders is bepaald en in de WWB is niet bepaald dat de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend bij sterk wisselende inkomsten. Artikel 48, tweede lid, WWB kan uitkomst bieden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gezinsinkomen in het betreffende boekjaar sterk zal stijgen. Gelet op het vorenstaande wordt dan ook de bijzondere bijstand in principe ‘om niet’ verleend, waarbij de eventuele draagkracht op basis van het maandelijks berekende inkomen / omzet in mindering wordt gebracht op de uit te betalen bijzondere bijstand. Wanneer naar verwachting het gezinsinkomen in een boekjaar c.q kalenderjaar sterk zal strijgen, wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een lening, conform artikel 48, tweede lid, WWB. Na afloop van het betreffende boekjaar wordt het definitieve inkomen van het gezin bepaald, aan de hand waarvan bepaald wordt of de bijzondere bijstand alsnog om niet verstrekt kan worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel