Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 6.2.

Artikel 6.2.3.

Toeslag voor een alleenstaande met kind in inrichting

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2012

In artikel 23 WWB wordt de bijstandsnorm bij verblijf in een inrichting bepaald. Daarbij is de norm voor een alleenstaande ouder gelijkgesteld met de norm voor een alleenstaande. De situatie kan zich voor- doen, dat een alleenstaande ouder tezamen met het kind in de inrichting verblijft. De kosten, die de belanghebbende voor het kind moet maken, kunnen in de regel uit de te ontvangen kinderbijslag bekostigd worden. Daarom kan worden volstaan met de norm voor een alleenstaande. Het kan echter zijn dat door individuele omstandigheden de kinderbijslag niet voldoende is en aanvullende bijzondere bijstand noodzakelijk is. Aangezien dergelijke situaties zich incidenteel voordoen is het niet gewenst de eventueel te verstrekken toeslag structureel op een bedrag vast te leggen, maar op individuele basis vast te stellen. Hoogte bijzondere bijstand Maximale aanvulling op grond van de bijzondere bijstand tot de hoogte van de van toepassing zijnde rijksnorm, genoemd in artikel 21 WWB. Er wordt geen rekening gehouden met een fictieve toeslag. Duur bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt tot de persoon de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, dan wel de inrichting heeft verlaten. Vorm van de bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt als bijstand ‘om niet’ en bijzonder belast.

Rechtspraak bij dit artikel