Naar hoofdinhoud
Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders op 24 januari 2024. de gemeentesecretaris, mr. C.G. Jacobs de burgemeester, dhr. drs. B.J.A. Roks Toelichting “Beleidsregel bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen Halderberge” Algemeen De Wet basisregistratie personen (Wet BRP) biedt gemeenten een aantal instrumenten voor de handhaving van de plichten die de burgers op grond van de Wet BRP hebben, waaronder het tijdig aangifte doen van een adresverandering, het overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen. Een en ander ten behoeve van de borging en/of verbetering van de integriteit (juistheid, volledigheid en tijdigheid) van de in de Basisregistratie Personen (BRP) opgenomen gegevens. Bestuurlijke boete In artikel 4.17 van de Wet BRP is de mogelijkheid opgenomen tot het opleggen van een bestuurlijke boete in het geval de burger (verwijtbaar) niet aan de verplichtingen als bedoeld in de Wet BRP voldoet. Het heffen van de bestuurlijke boete is geen doel op zich. Het moet de burgers aanzetten tot het nakomen van de verplichtingen die de Wet BRP aan hen oplegt. De bestuurlijke boete is een handhavingsinstrument in het bestuursrecht. Het is een boete die een bestuursorgaan of aangewezen toezichthouder kan opleggen voor een overtreding van een wettelijke regel. De opgelegde sanctie is onvoorwaardelijk. Dat betekent dat de opgelegde boete niet kan worden ingetrokken of gewijzigd als alsnog aan de verplichting(en) wordt voldaan. Tegen het opleggen van de bestuurlijke boete is wel bezwaar en beroep mogelijk. Het bepaalde in titel 5.4 van de Awb is onverkort van toepassing. In deze titel is onder meer bepaald wanneer een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wie de boete oplegt, hoe de boete wordt opgelegd en wanneer de opgelegde boete vervalt. Bij het opstellen van deze beleidsregel is nadere invulling gegeven aan het in titel 5.4 bepaalde. Bevoegdheid Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als daarvoor een wettelijke basis is. De noodzakelijke wettelijke basis is opgenomen in artikel 4.17 van de Wet BRP. Blijkens dit artikel heeft het college de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen. Uit praktische overwegingen (snelheid, effectiviteit) is er echter voor gekozen de bevoegdheid te mandateren tot aan de teammanager Klantzaken. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de in deze beleidsregel gebruikte begrippen nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de wettelijke begripsomschrijvingen, die onverkort van toepassing zijn. Artikel 2 Doelstelling Invoering van de beleidsregel bestuurlijke boete dient als prikkel voor de overtreder om de gegevens die nodig zijn voor een juiste, volledige en actuele basisregistratie (BRP), tijdig door te geven aan de gemeente. De kwaliteit van de persoonsgegevens in de BRP wordt hiermee verbeterd en fraude wordt tegengegaan. Het heffen van de bestuurlijke boete is geen doel op zich. Het moet burgers aanzetten tot het nakomen van de verplichtingen die de Wet BRP aan hen oplegt. Hierbij wordt uitgegaan van een preventieve werking. Artikel 3 Algemene bepalingen Lid 1 In artikel 4.17 Wet BRP is vermeld voor welke overtredingen de gemeente een boete kan opleggen. In onderstaand overzicht is vermeld welke overtredingen het betreft. Overtreding Wetsartikelen Wet BRP Het niet doen van aangifte van vestiging vanuit het buitenland, adreswijziging of vertrek naar het buitenland 2.38, 2.39, 2.43 Niet geven van informatie, overleggen van geschriften, in persoon verschijnen 2.44, 2.45 lid 1, 2.46 en 2.47 Niet voldoen aan informatie of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente als briefadresgever of hoofd van een instelling artikelen 2.40 lid 5, 2.45 leden 2 tot en met 5 en 2.50 Niet voldoen aan identiteitsplicht 2.52 Het niet overleggen van een in het buitenland opgemaakte overlijdensakte 2.51 Het niet overleggen van akten en andere brondocumenten 2.44 en 2.46 Gelegenheidsgever 4.17 onder b Valsheid in geschrifte 2.38, 2.39, 2.43, 2.44, 2.45, 2.46, 2.47, 2.51 en 2.52 Lid 2 Meestal ligt de verplichting in de Wet BRP alleen bij de ingeschrevene. In dat geval is de boete alleen opeisbaar bij de ingeschrevene. Soms echter ligt de verplichting bij verschillende mensen. In dat geval kan de boete ook opgelegd worden aan verschillende mensen. Er moet dan een keuze gemaakt worden aan wie de boete wordt opgelegd. Zie onderstaand schema. Verplichting Wet BRP Betreffende personen Verantwoordelijke personen Verplichting geldt niet als 2.38, 2.39 en 2.43, 2.44, 2.45, 2.46 en 2.47 Verplichting aangifte migratie, overleggen van brondocumenten, verschaffen inlichtingen Minderjarigen tot 16 jaar. Ouders, voogden of verzorgers. n.v.t. 2.38, 2.39 en 2.43, 2.44, 2.45, 2.46 en 2.47 Minderjarigen van 16 tot 18 jaar. Ouders, voogden of verzorgers. De minderjarige zelf aangifte doet. 2.38, 2.39 en 2.43, 2.44, 2.45, 2.46 en 2.47 Onder curatele gestelde personen. Curatoren. n.v.t. 2.51 Verplichting overlegging overlijdensakte van iemand overleden in het buitenland. In het buitenland overleden ingeschrevenen. Echtgenoot, geregistreerde partner, andere nabestaanden tot en met de tweede graad. n.v.t. Lid 3 De boete moet opgelegd worden binnen drie jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden (artikel 5:45, 2e lid Awb). Hierbij is het van belang te bepalen op welke datum de overtreding van een verplichting op grond van de Wet BRP is begaan. Uitgangspunt is dat de overtreding wordt begaan op het moment dat het college constateert dat niet aan de wettelijke verplichtingen is voldaan. Na overtreding van bijvoorbeeld de aangifteplicht blijft de overtreding actueel. Elke dag dat de overtreder in gebreke blijft, overtreedt hij de wet. De termijn schuift daarmee op. Lid 4 Ten aanzien van een aantal overtredingen geldt dat niet één persoon, maar meerdere personen eenzelfde verplichting hebben op grond van de wet BRP. Als er meerdere personen zijn die verplichtingen hebben, dan zijn deze personen hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat elke persoon afzonderlijk een boete opgelegd kan worden, ook al zijn anderen ook aansprakelijk. Als een van de personen de boete betaald heeft, dan vervalt automatisch de betalingsplicht van de andere personen. Lid 5 In titel 5.4 van de Awb zijn bepalingen opgenomen omtrent de bestuurlijke boete. Voor het opleggen van de bestuurlijke boete gelden de bepalingen zoals vermeld in deze titel. Dit laat onverlet dat ook de overige in deze beleidsregel niet genoemde bepalingen uit titel 5.4, van toepassing zijn op de bestuurlijke boete bij overtreding van de verplichtingen in de Wet BRP. Artikel 4 Hoogte van de boete In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen lage en hoge bestuurlijke boetes. Voor lage bestuurlijke boetes gelden minder voorschriften en administratieve regels dan voor hogere boetes. De grens tussen lage en hoge bestuurlijke boetes ligt op € 340,-. De Wet BRP stelt een maximum van € 325,--. De reden dat de Wet BRP de boete maximeert, is omdat gemeenten bij een hoger bedrag geconfronteerd worden met meer administratieve lasten om de boete op te kunnen leggen. Afwijking van dit bedrag naar beneden is mogelijk. De standaard boete wordt minimaal opgelegd als is besloten tot een bestuurlijke boete. De burger moet op enig moment zijn geïnformeerd over het risico dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd wanneer hij zich niet houdt aan de verplichtingen volgens de Wet BRP. De maximale boete opleggen bij overtredingen van verplichtingen die te maken hebben met migratie (o.a. vestiging, vertrek en adreswijziging) met dien verstande dat: het aannemelijk is dat verplichtingen bewust niet zijn nagekomen, het gaat om gelegenheid geven, als bedoeld in artikel 4.17 onder b Wet BRP. Artikel 5 Verwijtbaarheid Een voorwaarde voor het opleggen van een bestuurlijke boete, is dat de overtreding van de burger alleen gesanctioneerd kan worden als er sprake is van verwijtbaar gedrag. De mate van verwijtbaar wordt volgens vaste jurisprudentie bepaald op grond van objectieve verwijtbaarheid en subjectieve verwijtbaarheid. Bij objectieve verwijtbaarheid kijken we naar de handeling of het nalaten van betrokkene: heeft betrokkene feitelijk een regel overtreden? Bij subjectieve verwijtbaarheid kijken we naar de persoon: wist de belanghebbende of kon de hij redelijkerwijs weten dat hij een verplichting had moeten nakomen. De mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, wordt beoordeeld naar de situatie op het moment waarop de belanghebbende zijn verplichting had moeten nakomen. Of er sprake is van verwijtbaar gedrag moet blijken uit het dossier op grond waarvan uiteindelijk de boete wordt opgelegd (art. 5:41 Awb). Het nalaten van het vervullen van verplichtingen, wel of niet bewust, kan als verwijtbaar bestempeld worden. Aan de hand van feiten en omstandigheden van het betreffende geval kan bepaald worden in welke mate het niet voldoen aan de verplichting verwijtbaar is. Afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid kan gevarieerd worden met de hoogte van de op ge leggen bestuurlijke boete. Zowel de subjectieve omstandigheden, waardoor iemand niet aan zijn verplichting heeft kunnen voldoen, zoals spoed opname in een ziekenhuis, als ook objectief waarneembare omstandigheden zoals het aantal keer dat betrokkene eerder niet voldaan heeft aan zijn verplichting om op tijd zijn verhuizing door te geven, kunnen bepalen of er een boete opgelegd wordt en welk bedrag aan boete wordt opgelegd. Artikel 6 Niet twee keer voor hetzelfde (Ne bis in idem) Op grond van de Awb is het niet mogelijk om twee keer voor hetzelfde feit een boete te krijgen. Dit vloeit voort uit het beginsel van ne bis idem. Het gaat hierbij om een sanctionering van hetzelfde feit. Als een persoon eerder beboet is in verband met eenzelfde verplichting, maar later weer niet voldoet aan deze verplichting, dan is het niet hetzelfde feit. In lid 2 zijn hiervan een aantal voorbeelden genoemd. Artikel 7 Valsheid in geschrifte De wettelijke definitie van valsheid in geschrifte is: iemand die een geschrift, dat bestemd is om als echt en onvervalst te gebruiken. Uit deze definitie blijkt dat het om een schriftelijk document moet gaan. Ook het opzettelijk gebruiken van een door iemand anders valselijk opgemaakt of vervalst geschrift is valsheid van geschrifte. Bij een valse aangifte kan een bestuurlijke boete worden opgelegd, vanwege overtreding van de aangifteplicht. Wel is dan artikel 5.44 van de Awb van toepassing, indien naast het overtreden van de aangifteplicht tevens sprake is van valsheid in geschrifte. Dat betekent dat eerst de overtreding aan het Openbaar Ministerie (OM) moet worden voorgelegd en afhankelijk van de reactie van het OM kan dan alsnog worden overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 5:44 van de Awb regelt dat voor hetzelfde feit niet zowel een bestuurlijke boete als een strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd. Op enig moment moet definitief worden gekozen voor een van beide. Artikel 8 Citeertitel Artikel spreekt voor zich. Artikel 9 Inwerkingtreding Artikel spreekt voor zich. Verplichtingen van de burger, waarop bestuurlijke boete van toepassing is Artikel 4.17 Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opleggen: a. ter zake van overtreding van de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52; b. aan degene met een woonadres in de gemeente die bewust toelaat dat een andere persoon met datzelfde woonadres is ingeschreven, terwijl hij weet dat dit onjuist is. Hieronder is de integrale tekst van artikelen, die genoemd zijn in 4.17 sub a, opgenomen. Artikel 2.38 1. Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen. 2. Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland. 3. Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en legt de geschriften over ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, legt hij een hem betreffend verhuisbericht over, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven. 4. Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6. 5. In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden. 6. Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien: a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte, b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet. Artikel 2.39 1. De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft 2. Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres. 3. Indien een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2.40, vijfde lid Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres. Artikel 2.43 1. De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek. 2. De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. 3. Ter uitvoering van het eerste lid verschijnt de ingezetene in persoon bij het college, indien: a. niet alle ingezetenen met hetzelfde woonadres de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervullen, of b. niet voor alle ingezetenen met hetzelfde woonadres de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt vervuld. c. niet voor alle ingezetenen met hetzelfde woonadres de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt vervuld. 4. Een minderjarige verschijnt in persoon, tenzij alle ingezetenen met hetzelfde woonadres aangifte van vertrek doen of aangifte van vertrek voor hen wordt gedaan. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is. Artikel 2.44 De ingezetene brengt alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk ter kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Hij verstrekt aan het college, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Artikel 2.45 1. Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon. 2. In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever. 3. De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld. 4. De briefadresgever verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. Artikel 2.46 De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Artikel 2.47 Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Artikel 2.50 Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten. Artikel 2.51 De echtgenoot, de geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, aan het college, voor zover mogelijk, de inlichtingen over dat overlijden en leggen de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Artikel 2.52 1. Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, legt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht over. 2. De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van de minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en leggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid over.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel