Het college kan een pgb geheel of gedeeltelijk weigeren als er overwegende bezwaren zijn. Daarvan is onder meer sprake in de navolgende gevallen:
als het naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de budgetaanvrager problemen heeft met het beheren van een pgb of het pgb niet besteedt aan het daarvoor bestemde doel;
als aan de jeugdige of zijn ouders in de drie jaren voorafgaand aan de datum van het gesprek als bedoeld in artikel 2.2. vierde lid, een pgb is verleend en de jeugdige of zijn ouders niet voldeden aan de gestelde of wettelijke voorwaarden aan het pgb;
als de individuele voorziening niet onder de Jeugdwet valt, waaronder onderwijs en onderwijsvoorzieningen;
als de aanvraag tot gevolg heeft dat een en dezelfde persoon meer dan 48 uur per week moet werken voor deze jeugdige of zijn gezin. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen en kan ook betrokken worden de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;
als het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij het gaat om individuele begeleiding tijdens de vakantieperiode;
als de aanvraag alleen gedaan is voor vaktherapie en er geen individuele voorziening specialistische jeugdhulp is toegekend;
als de aanvraag is gedaan voor vaktherapie en de vaktherapeut niet staat geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische beroepen;
als de aanvraag is gedaan voor vaktherapie en het college heeft beoordeeld dat er een passende voorliggende of overige voorziening beschikbaar is waar de jeugdige of zijn ouders geen beroep op hebben gedaan;
als de beheerder of beoogd beheerder van het pgb-budget ook de zorgverlener danwel de directeur of bestuurder is van de zorgorganisatie.
als het pgb alleen dient als inkomensvoorziening voor de hulpverlener.