Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 2 Besluit

tot afstemming

Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ Gouda 2011

Eerste lid Aan het afstemmingsbesluit ligt ten grondslag dat de belanghebbende zijn wettelijke verplichtingen niet nakomt, ofwel dat een van de situaties als genoemd in artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ zich voordoet. De wet verbindt aan het recht op uitkering de verplichtingen voor belanghebbende om tijdig alle informatie te geven die nodig is om het recht op uitkering en de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling te kunnen beoordelen. Daarnaast kent de wet de plicht voor belanghebbende om mee te werken aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De wet kent niet de plicht om arbeid te behouden. Wel is in artikel 20 van de wet bepaald dat als belanghebbende ontslagen wordt op grond van dringende redenen of zelf ontslag neemt, de uitkering dient te worden afgestemd. Tweede lid In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat de verlaging wordt afgestemd op ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit betekent dat het college bij de beoordeling van de verlaging telkens drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. De beoordeling van de ernst van de gedraging is in deze verordening geobjectiveerd door voor een groot aantal gedragingen een standaardverlaging voor te schrijven. Dit neemt uiteraard niet weg dat indien individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven, ten voor- of ten nadele van belanghebbende, een andere dan de standaardverlaging kan worden opgelegd. Voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de omstandigheden waaronder de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen of de mate waarin belanghebbende bekend verondersteld kan worden met de hem opgelegde verplichtingen. Toetsing van de mate van verwijtbaarheid kan in individuele gevallen leiden tot een grotere of een mindere verlaging dan de standaardverlaging. Indien de gedraging in het geheel niet verwijtbaar is, wordt geen verlaging opgelegd. Zie hiervoor artikel 3, eerste lid, onder a van deze verordening en de toelichting hierop. Bij de vaststelling van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert kan gedacht worden aan financiële en sociale aspecten. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan eventuele bijzondere lasten, bijvoorbeeld hoge woonlasten of aflossingsverplichtingen, de gezinssamenstelling, of het effect van een opeenstapeling van verlagingen. Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is van een gedraging waarvoor verlaging van de uitkering gepast is en dossieronderzoek doet naar de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan het college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd acht, de belanghebbende uitnodigen zijn visie te geven op het voornemen om de uitkering te verlagen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel