Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in

artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken

dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de

belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de

verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.

De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige,

maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld

crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet

worden gevreesd.

Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze

uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en

is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de

ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt.