Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of onroerende zaken, kunnen

hun rechten op die zaken - op de voet van de artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv -

geldend maken. Op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag verzetten.

Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende

zaken waarop voor een belastingschuld beslag is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging

van die zaken in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het

college van de gemeente.

Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een eigendomsrecht beroepen,

maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend

beroepschrift op de voet van artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege

op.

Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van verzet in rechte tegen de

inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt

men het bodemrecht van de fiscus. Dit voorrecht kan de ontvanger van de gemeente niet toepassen.