**1.** Voor de aflopende toelage geldt als berekeningsbasis het bedrag, dat wordt verkregen door het bedrag, dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum, waarop de in artikel 12, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelage onregelmatige dienst heeft genoten, te verminderen met het bedrag, dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan toelage onregelmatige dienst en aan verhoging van het salaris anders dan die wegens algemene salarisverhogingen.
**2.** De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 12, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging, toelage onregelmatige dienst zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de aflopende toelage is een maximum verbonden van drie jaar.
**3.** De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven op een hele maand plaatsvindt, met dien verstande, dat hierdoor de, ingevolge het vorige lid, vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis.