**1..** De leidinggevende is bevoegd tot het in naam van de gemeente, het college, respectievelijk de burgemeester uitvoeren van de regelingen zoals vermeld in het bij dit artikel behorende Mandaatregister, dan wel tot het uitvoeren van bevoegdheden zoals die aan hem met instemming van het college zijn verleend op basis van een Mandaatbesluit van de gemeenteambtenaar die volgens de Gemeentewet belast is met de heffing of invordering van gemeentelijke belastingen.
**2..** Onder ‘de regelingen’ wordt mede begrepen: de vermelde regeling in het Mandaatregister met inbegrip van de wettelijke voorschriften die de invoering, wijziging of overgang hiervan regelt, de hieruit voortkomende algemene maatregelen van bestuur, alsmede besluiten van algemene strekking die hun grondslag aan de vermelde regeling ontlenen.
**3..** Onder ‘het uitvoeren van de regelingen’ wordt verstaan: het verrichten van de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen die in de regelingen staan vermeld, het ondertekenen van stukken en het verrichten van feitelijke handelingen die uit de genoemde regelingen voortvloeien, met inbegrip van het aanwijzen van een toezichthouder, ambtenaar, persoon of andere functionaris overeenkomstig de toepasselijke wettelijke voorschriften.
**4..** In afwijking van het eerste lid is een leidinggevende niet bevoegd tot:
het vaststellen van beleidsregels, van plannen die het Rijk vordert, en van nadere regels ter uitvoering van een wettelijk voorschrift;
het toepassen van een hardheidsclausule;
het opleggen van een bestuurlijke sanctie, tenzij een domeindirecteur bestuursdwang toepast in spoedeisende gevallen of voor een situatie die spoedeisend is, en, uitgezonderd het uitvoeren van de Wegsleepverordening gemeente Maashorst;
het beslissen op een bezwaar of op een verzoek tot rechtstreeks beroep;
het besluiten tot het starten als eiser van een rechtsgeding, tenzij in geval van spoedeisendheid een directeur hiertoe besluit;
het verrichten van een handeling die direct of indirect betrekking heeft op de leidinggevende zelf, in welk geval de naast hogere leidinggevende bevoegd is;
het aangaan van een vaststellingsovereenkomst, enkel voor zover deze gaat over de beëindiging van c.q. toeziet op een arbeidsovereenkomst, op basis van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek, tenzij een directeur dit doet met voorafgaande instemming van het directieteam.