Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.3.

De producten van Wmo-begeleiding nader bezien

Onderdeel van Besluit Maatschappelijke ondersteuning: Nadere regels Wmo 2024

4.3.1. Dagbesteding/begeleiding groep Artikel 4.5. van de verordening stelt de criteria vast voor deze vorm van Wmo-ondersteuning. In principe zijn onderwijs en ondersteuning vanuit de Participatiewet voorliggend op de Wmo. Ondersteuning op vervoer en hulpmiddelen in relatie tot werk of onderwijs (bij voorbeeld huiswerkbegeleiding) vallen niet onder de Wmo. De grensvlakken zijn niet altijd zwart-wit. Met name rond werk en dagbesteding streven we naar ‘traploos ondersteunen’; dat houdt in dat in samenwerking met de ketenpartners RSD en UWV doorgeleiding moet kunnen plaatsvinden van (arbeidsmatige) dagbesteding naar vormen van beschut werk of andersom (‘simpel switchen’). De mogelijkheden hiertoe kunnen besproken worden via de ‘participatietafel’; het lokale integrale overleg met daarin de professionals van de verschillende organisaties (RSD, UWV en Binding). Bijlage 4 bevat een overzicht van de verschillen tussen niet-arbeidsmatige dagbesteding, arbeidsmatige dagbesteding en arbeid. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing voor deafbakening met andere wetten en met het onderwijs: Arbeidsmatigedagbesteding is soms mogelijk vanuit de Wmo, echter opties vanuit de participatiewet (bijvoorbeeld vormen van beschut werk) en onderwijs zijn voorliggend. Er kunnen dus casussen zijn waarop het doel de middelen heiligt: bijvoorbeeld een vorm van educatieve dagbesteding ter voorbereiding op vormen van beschut werk als anders langdurige schooluitval dreigt. Het blijft maatwerk en de voorliggende vormen van ondersteuning vanuit onderwijs of participatiewet of Wajong (UWV) moeten aantoonbaar tot onvoldoende oplossing leiden en dus uitgesloten zijn. Indicaties voor arbeidsmatige- of educatieve dagbesteding zijn dus bij uitzondering mogelijk. Bij de indicatiestelling voor dagbesteding worden de leerdoelen/activerende doelen goed beschreven en vindt monitoring plaats of de dagbesteding ook tot resultaat leidt. Een aandachtspunt blijft of doorstroming naar een beschutte werkplek haalbaar is dus is regelmatige monitoring noodzakelijk. Arbeidsmatige dagbesteding richt zich op het vergrotenvanarbeidsvaardigheden en is altijd onderdeel van een integraal plan in samenwerking met RSD en/of UWV. De mate van begeleidingsbehoefte maakt dat dagbesteding een passende plek kan zijn in een specifieke fase van een client. Bij aanvang van de arbeidsmatige dagbesteding kan er in de toekenning aangegeven worden welke vaardigheden nog ontwikkeld moeten worden en (eventueel) welk tijdsbeslag dit in zal nemen. Na het behalen van die beschreven ontwikkeling kan het vervolg (bijvoorbeeld aanvraag indicatie beschut werk of indicatie doelgroepenregister bij het UWV) opgestart worden. Stages en opleidingsgerichte dagbesteding In bijzondere gevallen is het mogelijk om vanuit de Wmo een stageplek te vergoeden. Leerlingen die onderwijs volgen aan het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (VSO) lopen stage. De laatste stage is de transitie stage: de overgang van het volgen van een opleiding naar de werkplek of dagbesteding na hun opleiding. Als de transitiestage een succes is, kan de leerling na het afronden van zijn/haar opleiding werk of dagbesteding krijgen bij deze stageplek. Deze stages zijn maatwerk. Vergoeding voor stages: soms is een vergoeding nodig aan de instelling die de stage biedt. Een dagbestedingsplaats of werkgever vraagt om bekostiging om voldoende tijd vrij te maken om de leerling tijdens de stage te begeleiden. Is dit nodig, dan kan dit toegekend worden vanuit de Jeugdwet. Gezien het belang voor vso-ers en het zeer beperkt aantal casussen per jaar, is het niet de bedoeling om hier zeer terughoudend mee om te gaan. Regionaal is afgesproken dat eindstages van leerlingen met eindprofiel ‘dagbesteding’ voor 17-jarigen vanuit de Wmo bekostigd kunnen worden. 4.3.2. Begeleiding individueel Artikel 4.4. van de verordening stelt de criteria vast voor deze vorm van Wmo-ondersteuning. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Begeleiding individueel kan toegekend in de vorm van product ‘basis’ of ‘specialistisch’. Het is aan het toegangsteam om een beoordeling te maken tussen ‘basis’ en ‘specialistisch’. Wanneer er begeleiding nodig is zal dat in eerste instantie ‘basis’ begeleiding zijn, tenzij er voldaan wordt aan de criteria voor specialistisch: het gaat vaak een combinatie van aandoeningen; de hulpvraag kan wisselen in intensiteit, het is geen crisis; er is ondersteuning nodig op meerdere levensdomeinen; er is vaak afstemming nodig met behandelaars (GGZ-centraal, Altrecht etc.) er is sprake van bijkomende problematiek met risico op ernstige ontregeling of disfunctioneren zoals crimineel gedrag, verslaving, verwaarlozing etc.; het benodigde opleidingsniveau van de begeleider en de gebruikte methodiek van begeleiding is passend en komt overeen met hetgeen in het contract tussen de gemeente en de zorgaanbieder is afgesproken. NB: wat we niet willen is dat iemand met NAH (niet-aangeboren-hersenletsel) altijd op ‘specialistisch’ begeleid wordt, bijvoorbeeld omdat een zorgaanbieder geen begeleiding basis biedt. Het alternatief is dan om naar een andere aanbieder uit te zien. Niet de aandoening die een cliënt heeft, is bepalend voor de mate en inhoud van de ondersteuning, maar de behoefte aan ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie. 4.3.3. Bemoeizorg en GGZ-problematiek Artikel 4.8 van de verordening biedt criteria voor het toekennen van deze vorm van ondersteuning. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Bij bemoeizorg gaat het om het leveren van in beginsel ongevraagde zorg aan veelal multi- probleem gezinnen of inwoners met meervoudige problematiek op grond van gesignaleerde (ernstige) bedreiging van de gezondheid van de inwoner of diens gezin. Bemoeizorg heeft niet primair tot doel om specifieke problemen te verminderen maar het toe leiden naar zorg waarbij het sociale netwerk van het hele gezin wordt betrokken. De ondersteuning kan er ook op gericht zijn om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. De inwoner staat niet open voor het ontvangen van zorg. De inwoner komt (nog) niet in aanmerking voor crisisplaatsing of -behandeling door een GGZ-instelling. Bij ernstige ggz-problematiek kan sprake zijn van zowel behandeling (Zorgverzekeringswet) als Wmo-begeleiding tegelijkertijd. Casus: wel of niet Wmo-begeleiding tijdens GGZ-behandeling De vraag is of een Wmo-cliënt die tijdelijk wordt opgenomen ook nog in aanmerking komt voor Wmo-begeleiding. Stimulansz zegt daar dit over: ‘De GGZ-behandeling valt onder Zvw en niet onder de Wmo. Het kan wel zijn dat er daarnaast Wmo-begeleiding nodig is als het gaan om zelfredzaamheid en participatie. Deze begeleiding kan ondersteunend zijn bij de behandeling. Dat vergt nader onderzoek. 4.3.4. Kortdurend verblijf/logeerzorg/respijtzorg Artikel 4.7. van de verordening biedt criteria voor het toekennen van deze vorm van ondersteuning. Bij kortdurend verblijf verblijft degene die mantelzorg ontvangt, tijdelijk op een andere locatie, waar toezicht en de noodzakelijke ondersteuning en begeleiding geboden wordt. Dit wordt ook wel aangeduid als ‘logeerzorg’ of ‘kortdurend verblijf’. In principe wordt de ondersteuning die in de thuissituatie door de mantelzorger wordt verleend, vervangen door ondersteuning via de aanbieder kortdurend verblijf. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Bij voorkeur en op basis van de behoefte van de cliënt wordt dagbesteding op de locatie van het kortdurend verblijf aangeboden. Cliënten zijn zoveel als mogelijk zelf verantwoordelijk, bijvoorbeeld met behulp van hun netwerk, voor het vervoer van en naar de locatie van het kortdurend verblijf. De professional is het aanspreekpunt voor de cliënt en de mantelzorger. De cliënt en de mantelzorger(s) kunnen zelf bepalen of de inzet van de maximale 21 etmalen wenselijk is op dagbasis of juist aaneengesloten, bijvoorbeeld een week. In gevallen waarin de inwoner aanspraak kan maken op tijdelijk verblijf op basis van de Zvw of de Wet langdurige zorg (Wlz), is dit altijd voorliggend ten opzichte van kortdurend verblijf op basis van de Wmo.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel