Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.2.

Woonvoorzieningen en woningaanpassingen

Onderdeel van Besluit Maatschappelijke ondersteuning: Nadere regels Wmo 2024

Artikel 4.9 en 4.10 van de verordening bieden criteria voor het toekennen van deze vorm van ondersteuning. Artikel 4.10 bevat weigeringsgronden voor het toekennen van een woonvoorziening. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Indien de verwachting gerechtvaardigd is dat de cliënt binnen afzienbare tijd zal komen te overlijden waardoor woonvoorzieningen slechts korte tijd nodig zullen zijn, kan dit leiden tot afwijzing. Vooral als het gaat om onroerende woningaanpassingen. In overleg wordt dan gezocht naar een alternatieve oplossing. Beoordeling vindt plaats of de cliënt zelf het nodige kan doen aan aanpassingen, eventueel met inzet van zijn netwerk of met toepassing van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij bouw of ontwikkeling van een (particuliere) zorginstelling of een gebouw dat specifiek gebouwd wordt voor ouderen of voor mensen met een functiebeperking, verstrekt de gemeente geen Wmo-woonvoorzieningen of zorghulpmiddelen. De eis vanuit de gemeente is dat de voorzieningen gebouwd wordt overeenkomstig de eisen die passen bij de beoogde doelgroep van bewoners. Dit geldt voor zowel de exploitant van de zorginstelling als voor aanvragen van individuele bewoners. Dit geldt ook voor inwoners die in een geclusterde woonvorm wonen met zorg van een vaste aanbieder vanuit een Pgb. De landelijke overzichtslijst van taakverdeling tussen Wmo en Wlz als het gaat om hulpmiddelen in- en om de woning is van toepassing. Bij omvangrijke woningaanpassingen aan een eigen woning van de cliënt kan het college besluiten een regeling te treffen die ertoe leidt dat waardevermeerdering van de woning bij verkoop als gevolg van de Wmo-aanpassing terugvloeit naar de gemeente. De volgende tabel is hiervoor uitgangspunt: Leeftijd woningaanpassing Percentage terug te betalen bij verkoop woning Minder dan 5 jaar 100% 5 – 10 jaar 75% 10 – 15 jaar 50% 15 – 25 jaar 25% Ouder dan 25 jaar 0% Indien de woningaanpassing in waarde meestijgt met de woning of juist sprake is van een sterk dalende woningmarkt, kan het zinvol zijn een taxatie te laten plaatsvinden om inzicht te krijgen in een reële prijs. Bij grote woningaanpassingen van een koopwoning is vastleggen van een eventuele terugbetalingsregeling bij een notaris nodig. Bij verkoop van de woning komt de regeling dan vanzelf ‘bovendrijven’. Als er een inpandige aanpassing mogelijk en realistisch is, bijvoorbeeld in de situatie van bruikbare ruimte op een (beneden)verdieping, gaat daar de voorkeur naar uit. Pas in tweede instantie is uitbreiding van de woning aan de orde. Als een tijdelijke oplossing mogelijk en realistisch is, bijvoorbeeld in de vorm van een wooncontainer, gaat daar de voorkeur naar uit. Pas in tweede instantie is uitbreiding of verbouwing van de woning aan de orde. Bij aanpassingen binnen een complex van woningen: overleg met een eventuele verhuurder of vereniging van eigenaren is noodzakelijk om te bepalen waar de verantwoordelijkheid voor de woonvoorziening ligt, zowel wat plaatsen van de voorziening als wat onderhoud betreft. Als aanbouw noodzakelijk is, vindt dat om budgettaire redenen alleen plaats als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Zo mogelijk gaat de voorkeur uit naar het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit. Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt ingevolge Artikel 2.3.7 van de Wmo door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning als pgb. Financiële tegemoetkoming bij traplift: een traplift is niet geschikt voor een pgb, aangezien de afschrijftermijn van de traplift mogelijk langer is dan de levensverwachting van de cliënt. Daarom rekenen we met een financiële tegemoetkoming, ter hoogte van het type traplift in het huidige contract. Er wordt niet gecompenseerd voor onderhoud en er wordt ook geen eigen bijdrage opgelegd. De inwoner (of zijn/haar nabestaanden) is zelf verantwoordelijk voor het verwijderen van de traplift wanneer deze niet meer gebruikt wordt. Normaal gebruik van de woning: uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfunctie betreft. Ook zijn vanuit de Wmo geen aanpassingen mogelijk voor voorzieningen met een therapeutisch/medisch doel of voor behandeling zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Bezoekbaar maken van de woning: wanneer de cliënt als gevolg van beperkingen in een instelling woont kan één woning waar hij of zij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders of de partner) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. De verordening bepaalt dat de maximale vergoeding vanuit de Wmo hiervoor éénmalig € 5.000 bedraagt. Onderhoud van verstrekte woonvoorzieningen of woningaanpassingen: regulier onderhoud valt onder de verantwoordelijkheid van de woningeigenaar /verhuurder. Kosten voor onderhoud aan liften, deuropeners, trapliften etc. die via de Wmo zijn verstrekt, komen voor rekening van de Wmo. Tuin en/of balkon hoort er ook bij: de Wmo geeft opdracht aan gemeenten om normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Vanuit jurisprudentie is bepaald dat tuin en/of balkon deel uitmaken van de woning. Deze moeten dus toegankelijk zijn als de cliënt aangeeft deze te willen gebruiken. Zo nodig kunnen dus vanuit de Wmo aanpassingen denkbaar zijn om de toegang naar- en van de tuin en/of balkon mogelijk te maken. NB: tuinonderhoud maakt geen deel uit van de Wmo-taken. Voorzienbaarheid: uit de criteria voor een maatwerkvoorziening in de verordening blijkt dat de cliënt alleen voor een voorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de voorziening niet voorzienbaar was of van cliënt niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer men verhuist naar de woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt of zijn huisgenoten, men niet in aanmerking komt voor Wmo-woningaanpassingen. Vanuit jurisprudentie is de ‘voorzienbaarheid’ aan regels gebonden, het is dus maatwerk. Casus voorzienbaarheid woningaanpassing Er is een uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:2700 waarin de Raad in feite heeft gezegd dat de Wmo geen ruimte biedt mensen te verplichten te reserveren voor voorspelbare problemen op grond van beperkingen. In die zaak had de gemeente de voorzienbaarheid zo ruim in het beleid omschreven, dat het een hele grote groep ouderen uitsloot van voorzieningen. Daarin stelt de Raad: ‘Er mag echter niet van een burger vereist worden dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op maatschappelijke ondersteuning’. Uit deze uitspraak blijkt dat niet van een burger geëist mag worden dat hij investeringen doet of preventieve maatregelen treft (verhuizen of plaatsen van een niet-algemeen gebruikelijke traplift). Hoewel de mobiliteit duidelijk problemen gaf, blijft de toekomst onzeker. Betrokkene had kunnen verhuizen naar een woning met traplift of een gelijkvloerse woning of zelf een traplift plaatsen. Maar wanneer die noodzaak voor een traplift zou optreden weet je niet precies, dus dat blijft een toekomstige onzekere gebeurtenis. En iemand kan ook komen te overlijden voordat de noodzaak zich voordoet. Kortom, het lijkt erop dat afwijzen op grond van voorzienbaarheid kan in situaties waarin men al een beslissing heeft genomen en daardoor -voorzienbaar- een probleem creëert en dan vervolgens bij de gemeente aanklopt voor een oplossing. Door bijvoorbeeld naar een ongeschikte woning te verhuizen. Ook hier is zorgvuldig maatwerk dus nodig. Afschrijvingstermijnen om rekening mee te houden Rekening houdend met bovenstaande jurisprudentie zijn er casussen waarbij het niet reëel is dat de gemeente zwaar verouderde keukens, badkamers of andere dure voorzieningen vergoedt vanuit de Wmo. Maatwerk is geboden. 5.2.1. Soorten woonvoorzieningen Een van de doelstelling van de Wmo is inwoners in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving). Daarmee kan het nodig zijn om de woning aan te passen. In deze paragraaf staat een toelichting op verschillende soorten woonvoorzieningen en een aantal begrippen die bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening en in de jurisprudentie over dit onderwerp een rol spelen. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Voor kortdurend gebruik (maximaal 6 maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via het uitleendepot van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordelen dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld: een douchestoel ook gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. Soms heeft de verhuurder van wooncomplexen een voorkeur voor het gebruik van losse voorzieningen om veelvuldig boren in tegelwerk te beperken. Losse voorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen Afhankelijk van de aandoening en de situatie van de cliënt is een losse tillift bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift. Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel), zullen in eigendom worden verstrekt. Hiervoor wordt over het algemeen de grens getrokken bij de aanschafkosten tot € 500. Hulpmiddelen thuis bij verhuizing naar een Wlz-instelling: als iemand naar een Wlz-instelling gaat, kan het zijn dat hij nog regelmatig ‘thuis’ gaat logeren. Landelijk is afgesproken dat de niet makkelijk verplaatsbare hulpmiddelen die diegene thuis had (zoals bijvoorbeeld een tillift) daar blijven staan. De Wlz neemt deze hulpmiddelen dan over van de Wmo. Dit geldt alleen als iemand verhuist naar een ‘zuivere’ Wlz-instelling met intramurale erkenning. Dus niet als het gaat om een instelling waar wonen en zorg gescheiden zijn en cliënten er wonen met een pgb voor de zorgkosten. Het totaal van de landelijke afspraken is opgenomen in bijlage 2. 5.2.2. Woningaanpassingen en primaat van verhuizen Wonen in een geschikte woning of tijdig verhuizen is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Uitgangspunt daarbij is dat men rekening houdt met bekende- of te verwachten beperkingen. Verhuizing van een geschikte- naar een ongeschikte woning leidt tot afwijzing. Ook als men van elders komt. In de verordening is dit opgenomen. Wanneer er toch een woningaanpassing nodig is op grond van de Wmo, is het de vraag of de woning geschikt is- of geschikt te maken is voor de situatie waarin de cliënt verkeert of zal komen te verkeren. Dat is een voorwaarde om een woningaanpassing toe te kennen. In de Wmo wordt van oudsher een zgn. verhuisprimaat toegepast. In de verordening is daartoe het volgende opgenomen in artikel 1.34: Primaat van verhuizen betreft de beoordeling op een aanvraag van een cliënt voor een woonvoorziening in het kader van de Wmo, waarbij het College bepaalt dat de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een op een eenvoudige wijze of tegen lagere kosten geschikt te maken woning, welke verhuizing kan leiden tot het verminderen of verhelpen van de ervaren belemmeringen in de zelfredzaamheid of participatie. Toepassing van het primaat van verhuizen betekent dus dat een aanvraag voor een woonvoorziening afgewezen wordt, omdat verhuizen naar een andere woning als goedkoopst passend wordt aangemerkt. Voor cliënten is dit een ingrijpende beslissing die een zorgvuldige voorbereiding vergt. Bij de afweging is het nodig om de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen te bezien en eventueel een sociaal-medisch advies aan te vragen. Het volgende afwegingskader is opgesteld om de beoordeling te kaderen als een primaat van verhuizen aan de orde kan zijn. Hierbij geldt dat dit afwegingskader een richting aangeeft en de uitkomst van dit afwegingskader alsnog per situatie kan verschillen. Het blijft altijd maatwerk. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Het college beoordeelt allereerst of het beoogde resultaat ‘wonen in een geschikt huis’, ook te bereiken is via een verhuizing. Aspecten die hierbij een rol spelen: Financiële consequenties van de verhuizing: verhuizen mag niet leiden tot een (aanzienlijke) verslechtering van de financiële positie. De gevolgen van een verhuizing moeten binnen de financiële draagkracht van een betrokkene blijven, anders kan het primaat niet gehanteerd worden. De betrokkene moet aantonen als hij de financiële gevolgen niet kan dragen. De vraag of er binnen een aanvaardbare termijn (meestal 6 maanden) een geschikte woning is (in Wijk bij Duurstede, Cothen, Langbroek of in een nabij gelegen gemeente). Indien dat niet het geval is, heeft het opleggen van het primaat van verhuizen geen zin. De uitkomst van het sociaal-medisch advies over de verwachtingen voor de sociaal-medische situatie van de cliënt speelt een rol. Is er bijvoorbeeld sprake van een progressieve ziekte? Is de verwachting gerechtvaardigd dat de sociaal-medische situatie van de cliënt zal verslechteren waardoor op termijn meer (dure) woonvoorzieningen nodig zullen zijn? Een aanvraag kan bijvoorbeeld starten met traplift, waarbij de verwachting is dat op termijn aanpassingen in badkamer of keuken nodig zijn. Dat kan reden zijn tot opleggen van het primaat tot verhuizen. De situatie rond mantelzorg en een netwerk in de buurt van de cliënt maakt onderdeel uit van de beoordeling. Indien de cliënt voor een groot deel afhankelijk is van mantelzorg in de buurt kan dat leiden tot de keuze om de woning aan te passen zodat de mantelzorg in stand kan blijven. Heeft de cliënt wel/niet plannen om binnen afzienbare tijd te verhuizen naar elders, bijvoorbeeld om in de buurt van familie/kinderen te gaan wonen? Dit kan meewegen in de beslissing. Het opleggen van het primaat van verhuizen wil niet zeggen dat de cliënt verplicht is tot verhuizen. Het kan wel de grondslag vormen voor het afwijzen van een aangevraagde woonvoorziening. De cliënt kan er dan nog voor kiezen om de benodigde aanpassingen zelf te regelen en te betalen. Zo mogelijk kan de cliënt gewezen worden op tweedehands voorzieningen. In dergelijke gevallen komt onderhoud en afschrijving voor rekening van de cliënt. De gemeente mag niet eisen dat een inwoner een woningaanpassing zelf bekostigt door de hypotheek te verhogen: Gemeente moet aanpassing van de badkamer betalen. De gemeente was van mening dat de betrokken inwoner de aanpassing van de badkamer zelf kon betalen met een hypotheek op haar woning. Daarmee stelt de gemeente een financiële voorwaarde bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 kent alleen de mogelijkheid om een eigen bijdrage op te leggen. Voor het stellen van een aanvullende financiële voorwaarde biedt de Wmo 2015 dus geen ruimte. ECLI:NL:CRVB:2019:3535 Stimulanz heeft een infokaart m.b.t. het primaat van verhuizen opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 3.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel