Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.5.

Financiële tegemoetkomingen

Onderdeel van Besluit Maatschappelijke ondersteuning: Nadere regels Wmo 2024

In de verordening zijn in artikel 4.14 criteria opgenomen voor het verstrekken van financiële tegemoetkomingen vanuit de Wmo. De verordening meldt wat de maximale bedragen zijn en stelt bij de meeste eventuele vergoedingen wat de voorwaarden zijn. 5.5.1. Verhuiskosten Een Nederlander verhuist in zijn leven gemiddeld 7 keer, bijvoorbeeld bij het verlaten van het ouderlijk huis, groter wonen i.v.m. gezinsuitbreiding, kleiner gaan wonen als de kinderen uit huis zijn etc. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing opartikel 4.14., 4e lid verordening: Een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Deze verhuizingen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en hiervoor heeft men geld kunnen reserveren. Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding wordt rekening gehouden met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten- of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Een vergoeding is uitsluitend aan de orde als sprake is van aannemelijke meerkosten voor een Wmo-cliënt die verband houden met de beperking. Als men ten gevolge van plotselingopgetredenbeperkingen onvoorzien met een verhuizing wordt geconfronteerd, dan kan een verhuiskostenvergoeding aan de orde zijn. Als een primaat van verhuizen is opgelegd (zie § 5.2.4) kan een verhuiskostenvergoeding aan de orde zijn. Een verhuiskostenvergoeding kan aan de orde zijn wanneer de cliënt een aangepaste woning, op verzoek van de gemeente, verlaat. Het betreft situaties waarbij de persoon voor wie de woning was aangepast, is verhuisd naar een Wlz-instelling of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was. De vergoeding betreft altijd een tegemoetkoming in de kosten en zal vaak niet volledig kostendekkend zijn. Maatwerk is nodig. In voorkomende gevallen is het zinvol om in overleg met de cliënt te bezien wat nodig is; vaak zal de verhuizing (deels) met inzet van de eigen kring van de cliënt kunnen plaatsvinden, of kan Binding een busje en vrijwilligers regelen. Daarmee blijven de kosten beperkt. In uitzonderlijke situaties kan een vergoeding worden geboden voor tijdelijke dubbele woonlasten (maximaal 3 maanden) bijvoorbeeld wanneer de cliënt gedurende de uitvoering van Wmo-woningaanpassing tijdelijk niet in de eigen woning kan wonen. Inrichtingskosten (artikel 4.14., 4e lid verordening): een vergoeding is uitsluitend aan de orde als sprake is van aannemelijke meerkosten voor een Wmo-cliënt die verband houden met de beperking. De eventuele vergoeding is éénmalig en de hoogte is maatwerk op basis van de bepalingen in de verordening: afhankelijk van de persoonlijke situatie, de mate van mogelijke inzet vanuit het eigen netwerk en de mogelijkheid om vrijwilligers in te zetten. 5.5.2. Financiële tegemoetkoming in taxikosten of rolstoeltaxikosten De verordening biedt hiervoor in artikel 4.1.4, 3e lid beperkte mogelijkheden. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: In bijzondere situaties kan er een tegemoetkoming voor taxiritten worden verstrekt. Hieraan moet medisch advies ten grondslag liggen, waarin vast staat dat vervoer via de regiotaxi geen oplossing biedt voor de problemen die de cliënt ervaart met participatie. Voor vervoer naar school is men zelf verantwoordelijk, maar in bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs op afstand van de woning) is een indicatie voor leerlingenvervoer mogelijk. Verstrekking hiervan vindt plaats op grond van de Verordening leerlingenvervoer en valt dus niet onder de Wmo. Als bij vervoer naar- en van werk beperkingen worden ervaren, kan men hiervoor een beroep doen op de werkgever. Dit valt niet onder de Wmo. 5.5.3. Financiële tegemoetkoming in autokosten of aanpassingskosten van een auto De verordening biedt hiervoor in artikel 4.1.4, 3e lid beperkte mogelijkheden. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: In bijzondere situaties kan een financiële tegemoetkoming voor een aangepaste auto voor een gezin met meerdere gehandicapte kinderen, waarvan één of meerdere kinderen gebruik moeten maken van een rolstoel verstrekt worden. Aanpassingskosten van een auto komen alleen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming komen indien de aanpassing c.q. reparatie van de aanpassing, gelet op de nog te verwachten technische levensduur van de auto, verantwoord is. Deze tegemoetkomingen wordt alleen verstrekt wanneer blijkt dat de regiotaxi geen oplossing biedt in de participatiebehoefte. Casus: is een eigen auto algemeen gebruikelijk? De normale kosten voor het gebruik van een auto zijn algemeen gebruikelijk. Dit kan anders zijn als deze kosten hoog zijn, omdat er sprake is van een bijzondere omstandigheid door de beperkingen van cliënt. Je kunt daarbij denken aan een cliënt die zich, door zijn beperkingen, ook op de korte afstand moet verplaatsen met de auto. Ook als cliënt door zijn beperkingen een auto moet rijden die duur is in gebruik, zullen de gebruikskosten mogelijk niet algemeen gebruikelijk zijn. 5.5.4. Financiële tegemoetkoming voor sportvoorzieningen De verordening biedt in artikel 4.1.4, 6e lid beperkte mogelijkheden voor toekenning van een financiële vergoeding voor de aanschaf van sportvoorzieningen. In de Wmo 2015 is niet specifiek iets opgenomen over sportvoorzieningen. Een sportvoorziening kan onder de Wmo 2015 in een individuele situatie wellicht noodzakelijk zijn voor iemand om te kunnen participeren als er geen of onvoldoende andere participatiemogelijkheden zijn. Dit moet dus onderzocht worden in de individuele situatie. Op basis van artikel 4.1, 6e lid van de verordening zijn de volgende nadere regels van toepassing: Sportvoorzieningen komen alleen voor toekenning vanuit de Wmo in aanmerking als de cliënt zonder de voorziening niet voldoende maatschappelijk kan participeren. De afwegingen hiervoor zijn altijd maatwerk. Het onderhoud van toegekende sportvoorzieningen maakt deel uit van het verstrekte bedrag. Casus racetandem De Centrale Raad oordeelde in die situatie dat de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de visuele handicap die hem beperkt bij (duur)sportbeoefening, zijn lange historie bij het aangepaste wielrennen en de centrale positie die het wielrennen in zijn (sociale) leven inneemt, zo bijzonder zijn dat in dit concrete geval de beperkingen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie niet anders kunnen worden gecompenseerd dan door toekenning van (een bijdrage in) een racetandem. Dit ondanks het feit dat betrokkene voldoende mogelijkheden om te participeren bleek te hebben (door de week heen een groot aantal activiteiten, ook in de wedstrijdracetandemsport bij de organisatie). In dit geval gaat het dus ook om iemand voor wie deze sportbeoefening heel belangrijk is. Het zal niet snel het geval zijn dat zo’n voorziening echt noodzakelijk is om te participeren omdat diegene geen andere mogelijkheden heeft tot participeren. Voor mensen die (semi-) professioneel sporten geldt overigens dat zij een beroep moeten doen op sponsoren of op een andere manier financiële middelen verwerven voor de aanschaf van hun sportmateriaal.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel