Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 3

Toeslag voor een alleenstaande

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren

1. Een alleenstaande van 21 jaar heeft geen recht op een toeslag. 2. Een alleenstaande van 22 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening recht op een toeslag van 5 % in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen indien hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is; onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet is een bloedverwant in de eerste graad van de hoofdbewoner; als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met uitsluitend bloedverwanten in de eerste graad en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is. 3. Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening, recht op een toeslag van 20 % in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is; onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet is een bloedverwant in de eerste graad van de hoofdbewoner; hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een inkomen tot 50 % van het netto minimumloon, en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is. 4. Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening, recht op een toeslag van 15 % in de hierna onder a en b genoemde gevallen als hij: hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op commerciële basis hoofdverblijf geeft aan uitsluitend een of meer onderhuurders of medebewoners, die geen bloedverwant zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner, en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is en hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad van wie ten minste één bloedverwant een inkomen heeft van 50 % of meer van het netto minimumloon, en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is. 5. Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening, recht op een toeslag van 10 % in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is; hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een inkomen tot 50 % van het netto minimumloon, en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is en als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met één of meer bloedverwanten in de eerste graad met (elk) een inkomen van 50 % of meer van het minimumloon en met één of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële basis. 6. Een alleenstaande van 23 tot en met 26 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening, recht op een toeslag van 5 % als hij bij zijn ouder(s) inwoont.

Rechtspraak bij dit artikel