Op 1 juli 2016 trad de Erfgoedwet in werking. Deze verving de Monumentenwet 1988 waarin archeologie sinds 1 juli 2007 middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) was geregeld. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van Nederlands erfgoed via één integrale wet. Naast de aanwijzing van archeologische en gebouwde monumenten regelt de Erfgoedwet een groot aantal andere zaken zoals collectiebeheer van staats cultuurgoed, de aanwijzing van (internationaal) cultuurgoed (UNESCO-verdrag) en verzamelingen en teruggave van buitenlandse cultuurgoederen op basis van internationale verdragen. De afzonderlijke wetten die dit voorheen mogelijk maakten zijn vervallen.
Behoud in situ is binnen de Erfgoedwet het uitgangspunt. Archeologische resten kunnen het beste in de grond bewaard blijven. Pas als planaanpassing of -inpassing (zoals archeologievriendelijk bouwen) niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ door middel van opgravingen en bewaren van vondsten en documentatie in depots. Hierbij is het uitgangspunt dat de verstoorder betaalt.
In hoofdstukken 5 en 9 van de Erfgoedwet zijn ten aanzien van archeologie achtereenvolgens vastgelegd:
algemene opgravingsverbod (art. 5.1),
certificering van archeologisch onderzoek (art. 5.2 t/m art. 5.6),
vondsteigendom (art. 5.7),
depotfunctie (art. 5.8 en 5.9),
meldingsplicht archeologische toevalsvondst en waarneming (art. 5.10 en 5.11) en informatiebeheer (art. 5.12 en 5.13)
het overgangsrecht tot inwerkingtreding van de Omgevingswet (artikel 9.1)
Nadere regels rond het opgravingsverbod en de certificering zijn uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie (BEa, eveneens per 1 juli 2016).
Algemene opgravingsverbod en certificering
Zonder certificaat is het niet toegestaan ‘(…) handelingen te verrichten met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultuur erfgoed (…)’ (waaronder archeologische resten)3Artikel 5.1 Erfgoedwet. Een certificaat is voorbehouden aan een instantie (geen individu) die voldoende heeft aangetoond opgravingen op professionele wijze te kunnen uitvoeren. In de praktijk betekent het dat een groot aantal private marktpartijen en een aantal Nederlandse gemeenten zich sinds medio 2016 volgens Beoordelingsrichtlijn (BRL) 4000 archeologie (ondergebracht bij Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer/SIKB) hebben gecertificeerd en aldus archeologisch onderzoek mogen verrichten.4Volgens de Kwaltiteisnorm Nederlandse Archeologie (KNA) protocollen landbodems 4001 (Programma van Eisen), 4002 (bureuaonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek), 4004 (opgraven), 4006 (specialistisch onderzoek) en waterbodems 410 inventariserend onderzoek, 4104 (opgraven), 4107 (archeologische begeleiding). Een overzicht met gecertificeerde bedrijven is te vinden op https://www.sikb.nl/archeologie/certificeren-en-registratie/certificaathouders. Het archeologische onderzoek mag bovendien alleen door medewerkers met het juiste actorschap, een status die is gebaseerd op opleiding en jaren ervaring, worden uitgevoerd. Elke medewerker moet beschikken over een KNA-actorstatus die eveneens bij de SIKB geregistreerd staat. Aan de hand van een persoonlijk registratienummer kunnen de kwalificaties van een actor worden ingezien (op https://www.actorregistratie.nl/).
Het opgravingsverbod is niet van toepassing op universiteiten en hogescholen. Zij mogen vanuit hun onderwijsdoelstelling archeologische opgravingen verrichten.
Het verbod is evenmin van toepassing op de metaaldetectie, mits de grond niet dieper dan 30 cm onder het landoppervlak verstoord wordt, en de detectie niet plaatsvindt binnen monumenten aangewezen door Rijk, provincie of gemeente, of terreinen betreft waar op dat moment een opgraving plaatsvindt.5BEa art. 2.1 en 2.2 Gemeenten kunnen een algeheel of gedeeltelijk detectieverbod opnemen in hun APV.
Tot slot zijn verenigingen van amateurarcheologen ook uitgezonderd van het opgravingsverbod6BEa art.2.3 als men voldoet aan de volgende vereisten:
statutaire vastlegging door de vereniging van de doelstellingen behoud en beoefening van archeologie,
het onderzoeksterrein moet door college van B&W zijn vrijgesteld van (nader) archeologisch onderzoek, en
de vereniging niet door derden wordt ingeschakeld om het werk te verrichten.
In alle gevallen is het verboden amateurverenigingen onderzoek te laten verrichten op (voor)beschermde Rijks- of provinciale monumenten. Gemeentelijke monumenten ontbreken in het BEa: een gemeente kan dit zelf regelen via de gemeentelijke erfgoedverordening.
Als het onderzoek is uitgevoerd, overhandigt de vereniging een (verplicht) verslag van het veldwerk aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De vondsten gaan naar het betreffende bodemvondstendepot.
In principe is het mogelijk een vergunning- of certificaathouder uit een andere EU-lidstaat toe te staan archeologisch onderzoek te verrichten. Dit kan voorkomen wanneer een buitenlandse archeologische instantie een Europese aanbesteding van een werk in Nederland gegund krijgt. Tegenwoordig opereren in het zuiden van ons land incidenteel Belgische bedrijven op de Nederlandse archeologiemarkt. Zij moeten wel aan kunnen tonen dat hun niveau gelijkwaardig is aan BRL 4000.
Figuur 1. infographic met de geldende uitzonderingen op de certificeringsplicht (bron RCE).
Vondsteigendom en meldplicht archeologische toevalsvondsten
Er is vaak onduidelijkheid over het eigendom van archeologische vondsten. Het eigendom van vondsten afkomstig van een opgraving (of ander archeologisch veldonderzoek waarvoor een certificaat nodig is) berust in de eerste plaats bij de provincie waar de vondst is aangetroffen. Als een gemeente een aangewezen depot heeft, is de gemeente eigenaar, en gaan de vondsten naar het depot van die gemeente. Er zijn strikte regels verbonden aan de instandhouding van een depot en de opslag van archeologische vondsten.7KNA protol 4010 (depotbeheer)
Over de meldingsplicht van archeologische toevalsvondsten bestaat ook vaak onduidelijkheid. Als iemand bij werkzaamheden anders dan het doen van opgravingen iets vindt ‘waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft’, moet dit zo spoedig mogelijk worden gemeld bij Onze Minister8Erfgoedwet art. 5.10. Hiermee wordt de Minister van OC&W bedoeld. Namens de Minister treedt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op als instantie waar de toevalsvondst feitelijk moet worden gemeld. De vondst moet gedurende zes maanden ter beschikking worden gehouden voor onderzoek. Vondsten kunnen zowel bestaan uit objecten (van aardwerk, metaal, glas, enz.) als uit sporen en structuren. Het niet melden van een archeologische toevalsvondst is een economisch delict.9Wet op de economische delicten art. 1a sub 2
Vondsten kunnen worden gemeld via het vondstmeldingsformulier op de site van RCE (hier te vinden https://formulier.cultureelerfgoed.nl/archis/vondstmeldingsformulier). In de praktijk registreert een vinder zelden zelf een vondst (in een gemeente als Vijfheerenlanden gemiddeld minder dan 1 keer per jaar, dat geldt overigens ook voor omliggende gemeenten). Vaak richt een vinder zich tot de plaatselijke vereniging van amateurarcheologen of de gemeente die dan de melding én registratie verzorgt. Als de Omgevingswet in werking treedt, wijzigt dit: bevoegd gezag voor een archeologische toevalsvondst van algemeen belang is het college van B&W van de gemeente waar de vondst zich voordoet. Uitzondering: de bevoegdheid ligt nog steeds bij Onze Minister van OCW als de archeologische toevalsvondst ook van nationaal belang is. De gemeentelijke overheid en de Rijksoverheid zijn verplicht informatie hierover uit te wisselen.10zie art. 19,8 Ow, en ook art. 19.3 voor de doormeldings- en informatieplicht bij een ongewoon voorval In de dagelijkse praktijk krijgen vergunninghouders, ontwikkelaars en aannemers al het verzoek de vondst niet alleen bij Onze Minister maar ook bij de gemeente te melden zodat de betreffende instanties op de hoogte zijn en passende vervolgmaatregelen kunnen nemen.
Het eigendom van archeologische toevalsvondsten is geregeld in het Burgerlijk Wetboek.11Burgerlijk Wetboek art. 13 De vinder en de eigenaar van de gronden waar de vondst is aangetroffen, zijn elk voor de helft eigenaar.