Naast de Erfgoedwet is de Omgevingswet (Ow) de tweede belangrijke pijler van de archeologische monumentenzorg. De scheiding laat zich het best als volgt typeren:
De duiding van cultureel erfgoed en zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet.
De omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
De Omgevingswet is al verschillende keren uitgesteld. Op het moment dat dit beleid is opgesteld is sprake van inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2024. De artikelen uit de Monumentenwet 1988 die betrekking hebben op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaan op in de Omgevingswet. Tot die tijd blijven door overgangsrecht12geregeld in hoofdstuk 9 Erfgoedwet de relevante bepalingen rechtskracht houden.
Om de Omgevingswet uit te kunnen voeren krijgen gemeentelijke overheden de beschikking over een aantal instrumenten:
Omgevingsvisie – hierin worden de gemeentelijke lange termijn doelen en ambities vastgelegd voor de fysieke leefomgeving. Er wordt een omgevingsvisie voor het gehele gemeentelijke grondgebied vastgesteld. De omgevingsvisie is verplicht.
Omgevingsplan – bevat alle regels over de fysieke leefomgeving binnen de gemeente. Er wordt per gemeente een omgevingsplan vastgesteld. Het omgevingsplan is verplicht.
Omgevingsvergunning – vergunningstelsel voor het uitvoeren van een of meerder activiteiten. Op basis van het omgevingsplan kan het voor een initiatiefnemer noodzakelijk zijn een omgevingsvergunning aan te vragen. Aan dit stelsel is toezicht en handhaving gekoppeld.
Programma – een flexibel instrument dat ingezet kan worden om bepaalde doelstellingen gefaseerd te realiseren. Niet verplicht.
Projectprocedure (projectbesluit) – Hiermee kunnen grootschalige projecten mogelijk worden gemaakt.
Voor archeologie zijn de eerste drie instrumenten het meest relevant.
Archeologie maakt in de wet onderdeel uit van cultureel erfgoed binnen de fysieke leefomgeving13Omgevingswet art. 1.2 lid 2i. Bij de uitoefening van bestuurlijke taken en bevoegdheden houden overheden (gemeente, provincie, Rijk of een waterschap) rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving.14art. 2.1. lid 2 Het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed kan daarbij van toepassing zijn.15art. 2.1. lid 3 In omgevingsverordeningen16art. 2.27 en omgevingsplannen en projectbesluiten17art. 2.28) legt het Rijk verplichte instructieregels op voor het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daar moet dus rekening mee gehouden worden.
De nadere uitwerking van de wet gaat via vier AMvB’s:
Omgevingsbesluit (invoeringsbesluit Omgevingswet),
Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl),
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In de Omgevingswet wordt gesproken van activiteiten, handelingen die uitgevoerd worden om iets te realiseren. De grondslagen voor de activiteiten die cultureel erfgoed18Omgevingswet art. 4.3 lid 1h of werelderfgoed19Omgevingswet art. 4.3. lid 1i betreffen zijn in de Omgevingswet opgenomen. In de eerste plaats wordt behoud van het erfgoed nagestreefd. Vernieling en beschadiging moet worden voorkomen.20Omgevingswet art. 4.28 en art. 4.29 De activiteit rijksmonumentenactiviteit is nader uitgewerkt in het Bal.21hoofdstuk 13, art. 13.1 t/m 13.13 Evenals in de huidige Wabo is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning. In de Omgevingswet is dit een omgevingsplanactiviteit gericht op archeologische monumenten.22Omgevingswet art. 5.5 lid 1
Voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg zoals we die nu kennen in de ruimtelijke ordening (Wro) en het omgevingsvergunningstelsel (Wabo) kunnen we vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden terecht in het Bkl Paragraaf 5.1.5.5. behandelt cultureel erfgoed en werelderfgoed. Artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) bevat alle relevante onderdelen om archeologisch erfgoed adequaat te beheren en beschermen, zoals art. 38a van Monumentwet 1988 en art. 3.1.6 lid 5a Besluit ruimtelijke ordening/Bro dat nu nog doen. In het nieuwe artikel wordt gesteld dat in het omgevingsplan in het belang van cultureel erfgoed rekening wordt gehouden met bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hiertoe dienen vervolgens regels opgesteld te worden. Nieuw is dat nu gesproken wordt van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten en niet meer – zoals nu nog het geval is – van aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
Het befaamde art. 41a Monumentenwet 1988 komt ook terug in art. 5.130 Bkl (lid 4 en 5). De wetgever hanteert sinds 2007 een vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2 bij aanvragen omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen (werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden). De gemeenteraad kan hiervan beredeneerd afwijken (striktere begrenzingen vaststellen maar ook ruimere). Dat hebben de voormalige gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik ook gedaan; vooral ook omdat een zeer strikte vrijstellingsgrens c.q. onderzoeksverplichting voor het hele gemeentelijke grondgebied in de praktijk onwerkbaar en niet noodzakelijk is. Onder de Omgevingswet verandert dit uitgangspunt niet. Wel is nieuw dat onder de Omgevingswet de gemeente de (te verwachten) archeologische waarden alleen kan beschermen in het omgevingsplan als sprake is van een aantoonbare verwachting. Met ‘aantoonbaar’ wordt bedoeld dat de in het omgevingsplan opgenomen verwachting (trefkans) op het aantreffen van archeologische vondsten goed moet zijn onderbouwd (aangetoond) met behulp van expliciete en locatie-specifieke archeologische, bodemkundige en historische informatie. Tevens staat in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving het volgende te lezen: “In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed…”.23BKL Artikel 5.130, lid 1 en 2 De gemeente wordt, kortom, geacht de verantwoordelijkheid te nemen voor goed onderbouwde archeologische verwachtingen in het omgevingsplan. Deze bieden meer zekerheid voor de initiatiefnemers (verstoorders). Volledige zekerheid is echter niet mogelijk. Dit ligt in de aard van de archeologie, die nu eenmaal niet zichtbaar in de bodem zit. Alleen alles opgraven zou volledige zekerheid geven, maar dat is in strijd met het beginsel van behoud in situ. Het blijven dus goed onderbouwde verwachtingen, waaraan een mate van onzekerheid nu eenmaal inherent is“.