Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3

Relatie met nationale onderzoeksagenda

Onderdeel van Geactualiseerd archeologibeleid en onderzoeksagenda archeologie gemeente Vijfheerenlanden

NOaA2: thema 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap In hoeverre beïnvloedden reeds aanwezige antropogene structuren de verdere inrichting en ontwikkeling van cultuurlandschappen?(NOaA 2.0-vraag 19) Welke invloed hadden lokale landschappelijke omstandigheden (bodem, vegetatie) op regionale huisbouwtradities?(NOaA 2.0-vraag 116) Hoe beïnvloedde de uitbreiding van veen het landgebruik?(NOaA 2.0-vraag 42) Hoe fluctueerde de grondwaterspiegel en wat waren daarvan de effecten op landschap en landgebruik?(NOaA 2.0-vraag 37) Welke invloed hadden in veengebieden bodemdaling en vernatting op landgebruik en bewoningspatronen?(NOaA 2.0-vraag 41) Waar, op welke wijze en in welke vorm beïnvloedde de mens het landschap (of onderdelen daarvan) en vegetatie vóór de grootschalige introductie van akkerbouw?(NOaA 2.0-vraag 10) NOaA2: thema 21. De dynamiek van het landgebruik: Wat zijn de aanwijzingen voor seizoenbewoning en voor specialisatie van nederzettingen?(NOaA 2.0-vraag 5) Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd?(NOaA 2.0-vraag 107) Welke rol spelen ‘persistent places’ (delen van het landschap die steeds weer voor dezelfde activiteiten worden gebruikt) en wat zijn daarvan de kenmerken en context?(NOaA 2.0-vraag 130) Welke invloed had de landbouwende mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna?(NOaA 2.0-vraag 15) Welke (inter)regionale en diachrone verschillen bestonden er in de verplaatsing (afstand en frequentie) van nederzettingen, akkers en weidegronden?(NOaA 2.0-vraag 24) Wanneer, waar en in welke mate hebben menselijke activiteiten geleid (direct of indirect) tot veranderingen in de natuurlijke omgeving als gevolg van wind-, water- en hellingerosie?(NOaA 2.0-vraag 17) Hoe en wanneer werden hoogveengebieden geëxploiteerd, gekoloniseerd, gedraineerd en ontgonnen?(NOaA 2.0-vraag 47) Wanneer, waar en in welke mate vonden erosie en sedimentatie onder invloed van water plaats, en in hoeverre is er een verband met (welke?) menselijke activiteiten?(NOaA 2.0-vraag 18) Hoe verloopt de ontwikkeling van het laat-prehistorische cultuurlandschap in relatie tot akkercomplexen (ligging, omvang, gebruik, mobiliteit)?(NOaA 2.0-vraag 32) Op welke wijze werden perifere gebieden (‘marginale’ landschappelijke zones) economisch gebruikt en welke archeologische verschijnselen (sporen, resten van voorzieningen) getuigen van dit gebruik?(NOaA 2.0-vraag 33)

Rechtspraak bij dit artikel