NOaA2: thema 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap
In hoeverre beïnvloedden reeds aanwezige antropogene structuren de verdere inrichting en ontwikkeling van cultuurlandschappen?(NOaA 2.0-vraag 19)
Welke invloed hadden lokale landschappelijke omstandigheden (bodem, vegetatie) op regionale huisbouwtradities?(NOaA 2.0-vraag 116)
Hoe beïnvloedde de uitbreiding van veen het landgebruik?(NOaA 2.0-vraag 42)
Hoe fluctueerde de grondwaterspiegel en wat waren daarvan de effecten op landschap en landgebruik?(NOaA 2.0-vraag 37)
Welke invloed hadden in veengebieden bodemdaling en vernatting op landgebruik en bewoningspatronen?(NOaA 2.0-vraag 41)
Waar, op welke wijze en in welke vorm beïnvloedde de mens het landschap (of onderdelen daarvan) en vegetatie vóór de grootschalige introductie van akkerbouw?(NOaA 2.0-vraag 10)
NOaA2: thema 21. De dynamiek van het landgebruik:
Wat zijn de aanwijzingen voor seizoenbewoning en voor specialisatie van nederzettingen?(NOaA 2.0-vraag 5)
Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd?(NOaA 2.0-vraag 107)
Welke rol spelen ‘persistent places’ (delen van het landschap die steeds weer voor dezelfde activiteiten worden gebruikt) en wat zijn daarvan de kenmerken en context?(NOaA 2.0-vraag 130)
Welke invloed had de landbouwende mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna?(NOaA 2.0-vraag 15)
Welke (inter)regionale en diachrone verschillen bestonden er in de verplaatsing (afstand en frequentie) van nederzettingen, akkers en weidegronden?(NOaA 2.0-vraag 24)
Wanneer, waar en in welke mate hebben menselijke activiteiten geleid (direct of indirect) tot veranderingen in de natuurlijke omgeving als gevolg van wind-, water- en hellingerosie?(NOaA 2.0-vraag 17)
Hoe en wanneer werden hoogveengebieden geëxploiteerd, gekoloniseerd, gedraineerd en ontgonnen?(NOaA 2.0-vraag 47)
Wanneer, waar en in welke mate vonden erosie en sedimentatie onder invloed van water plaats, en in hoeverre is er een verband met (welke?) menselijke activiteiten?(NOaA 2.0-vraag 18)
Hoe verloopt de ontwikkeling van het laat-prehistorische cultuurlandschap in relatie tot akkercomplexen (ligging, omvang, gebruik, mobiliteit)?(NOaA 2.0-vraag 32)
Op welke wijze werden perifere gebieden (‘marginale’ landschappelijke zones) economisch gebruikt en welke archeologische verschijnselen (sporen, resten van voorzieningen) getuigen van dit gebruik?(NOaA 2.0-vraag 33)
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Relatie met nationale onderzoeksagenda
Onderdeel van Geactualiseerd archeologibeleid en onderzoeksagenda archeologie gemeente Vijfheerenlanden