Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.5

Verticale ligging

Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht (Handboek kabels en leidingen)

1.. Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaardprofiel in Bijlage 1 van dit Handboek. 2.. Uitgangspunten bij verticale ligging: distributiekabels en -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen; vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen; kabels of leidingen worden niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd. Het ontgravingsprofiel kunt u opvragen bij de rioolbeheerder van de gemeente; bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m; er wordt een strook tussen 0,60 m onder maaiveld en 1,0 m onder maaiveld vrijgehouden i.v.m. kruisende vrijverval rioolaansluitingen. Zie voor verder toelichting het standaardprofiel in Bijlage 1 van dit Handboek; kabels en leidingen moeten minimaal 60 cm diep onder maaiveld liggen, tenzij de toezichthouder hiermee instemt. De in deze paragraaf beschreven basisprincipes worden zoveel mogelijk nagevolgd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan het college of de toezichthouder een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven. Dit moet in de vergunning of instemmingsbesluit (of een aanpassing van een vergunning of instemming) worden vastgelegd. 3.. Als een kabel of leiding niet conform het standaardprofiel kan worden gelegd omdat er al een andere kabel of leiding op de plek van het standaardprofiel ligt, meldt de netbeheerder dit aan de toezichthouder, waarna de toezichthouder, na overleg met de netbeheerder, een alternatief tracé aanwijst dat zoveel mogelijk aansluit bij het vergunde of ingestemde tracé c.q. het voorkeursprofiel. Dit wordt vastgelegd als een afwijking van de vergunning of het instemmingsbesluit. Deze beleidslijn geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de Verordening ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels gemeente Utrecht. Deze beleidslijn geldt voor de wijk Leidsche Rijn vanaf 1998. 4.. Het college kan de netbeheerder of rechthebbende gelasten een kabel of leiding aan te passen, te verleggen of te verwijderen als die kabel of leiding niet in het standaardprofiel ligt, tenzij het college of de toezichthouder heeft ingestemd met een afwijking van het standaardprofiel. Dit laat onverlet dat het college het recht heeft de verplaatsing, aanpassing of verwijdering van een kabels of leiding te gelasten indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is vanwege de (her)inrichting van openbare gronden, waaronder mede begrepen de uitvoering van werkzaamheden, de realisatie van een werk, of de aanleg van groenvoorzieningen, door de gemeente of derden, zoals omschreven in artikel 13 van de verordening.

Rechtspraak bij dit artikel