**1..** Bij (gestuurde) boringen of persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels of leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen kabel of leiding onder de bestaande kabel of leiding dient te worden gevoerd. De ligging van de persing of (gestuurde)boring moet achteraf worden ingemeten (X-, Y-, Z-coördinaten volgens het Rijksdriehoek (RD-) stelsel) en bij elke KLIC-melding worden mee gerapporteerd.
**2..** Bij het kruisen van, in beheer en onderhoud zijnde, gemeentelijke watergangen wordt een minimale gronddekking van 1,0 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang aangehouden. De harde bodem is de waterdiepte + de onderhoudsdiepte conform de legger van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR).
**3..** Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte wordt een gronddekking van 1,0 m ten opzichte van de aanwezige bodem aangehouden.
**4..** Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dan bedraagt de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,25 m. De toezichthouder kan toestemming geven voor ondiepere ligging in groenvoorzieningen.
**5..** Kabels of leidingen mogen alleen onder een overbouwing (balkon etc.) worden gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m bedraagt. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch- en ander materieel. Tijdens het initiatiefoverleg moeten de netbeheerders worden geïnformeerd over de plannen zodat zij hun inbreng kunnen leveren. Hierbij geldt dat de projectontwikkelaar rekening dient te houden met de tracés van de netbeheerders.
**6..** Kabels of leidingen worden indien mogelijk alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker etc.) gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde maaiveld ten minste 1,0 m bedraagt, tenzij de toezichthouder hiermee instemt (bijvoorbeeld in het wervengebied). Dit in verband met benodigde gronddekking voor de kabels of leidingen.
** 7..** Koppelbalken t.b.v. funderingen worden alleen gekruist als de verticale afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld ten minste 1,0 m bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de kabels of leidingen een veilige ligging verkrijgen.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.6
Aanvullende eisen voor verticale ligging
Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht (Handboek kabels en leidingen)