Bijlage 1 Strafbare feiten

Bij het opleggen van een gebiedsontzegging dient het, indien het plegen van een strafbaar feit aanleiding geeft tot het opleggen van een gebiedsontzegging, te gaan om (één van) de navolgende strafbare feiten, te weten gedragingen die strafbaar zijn gesteld en die verband houden met (het belang van) de openbare orde op openbare plaatsen in Arnhem:

• openlijke geweldpleging (artikel 141 Wetboek van Strafrecht);

• wederspannigheid (artikelen 180-182 Wetboek van Strafrecht);

• negeren bevoegd gegeven ambtelijk bevel (artikel 184 Wetboek van Strafrecht);

• schennis van de eerbaarheid (artikel 239 Wetboek van Strafrecht);

• belediging ambtenaar in functie (artikelen 266 en 267 Wetboek van Strafrecht);

• bedreiging (artikel 285 Wetboek van Strafrecht);

• mishandeling (artikelen 300-303 Wetboek van Strafrecht);

• diefstal op openbare plaatsen, zoals winkelcentra, markten en horecagebieden artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht);

• afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht);

• afdreiging (artikel 318 Wetboek van Strafrecht);

• vernieling (artikelen 350 en 351 Wetboek van Strafrecht);

• straatschenderij (artikel 424 Wetboek van Strafrecht);

• openbare dronkenschap (artikelen 426 en 453 Wetboek van Strafrecht);

• verkopen van drugs in het openbaar (Opiumwet);

• overtredingen Wet wapens en munitie (denk aan het (openlijk) bij zich dragen van vuur- en steekwapens, wapenstokken, boksbeugels e.d.);

• gevaarlijk rijgedrag (artikel 5 Wegenverkeerswet).