**1..** Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om in uitzonderingsgevallen van de inrichtingseisen af te wijken. De aanvrager dient bij zijn aanvraag aan te geven of hij een omgevingsvergunning aanvraagt voor een reguliere uitweg of voor een uitweg waarvoor één of meerdere uitzonderingen gelden. Indien een uitweg met uitzondering(en) wordt aangevraagd, dient de aanvrager te onderbouwen waarom voor deze uitweg afgeweken moet worden van de eisen.
**2..** Het college maakt alleen gebruik van de aan hem in artikel 4:84 AWB toegekende bevoegdheid indien:
de bestaande wegenstructuur geen andere ontsluiting mogelijk maakt. Dan kan een uitweg ook aansluiten op een gebiedsontsluitingsweg.
het een tweede uitweg betreft bij woningen op erftoegangswegen. Als de beide uitwegen aan dezelfde zijde van de perceelsgrens liggen, dient de afstand tussen beide uitwegen minimaal 6 meter te bedragen. Een tweede uitweg is een uitzondering-situatie en de aanvrager dient te onderbouwen waarom de uitweg ook een verbetering is voor de omgeving. Elke aanvraag hiervoor wordt individueel beoordeeld op parkeer-situatie, verkeersveiligheid en bescherming van het uiterlijke aanzien en groenvoorziening van de omgeving.
de betreffende situatie zo uitzonderlijk is, dat hiervoor in de beleidsregels geen criteria zijn opgenomen met als voorwaarde dat de uitweg op deze locatie de verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien niet aantast, alsmede dat er slechts 1 openbare parkeerplaats vervalt door aanleg van de uitweg.
**3..** Bij elk van bovengenoemde uitzonderingsgevallen dient het college van burgemeester en wethouders te (laten) toetsen of de verkeersveiligheid niet in het geding komt. Indien de verkeersveiligheid wel in het geding komt, wordt geen uitzondering gemaakt of de vergunning wordt niet verleend.