De bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders in de volgende situaties:

1.. het aanpassen van het omgevingsplan conform een onherroepelijke omgevingsvergunning;

2.. het aanpassen van het omgevingsplan voor de volgende gevallen:

  • - het bouwen van minder dan:
    • - 8 woningen, indien gelegen binnen de bebouwde kom,
    • - 3 woningen, indien gelegen buiten de bebouwde kom.
  • - het bouwen van een nieuw hoofdgebouw, niet zijnde een woning, waarbij de gebruiksoppervlakte niet meer bedraagt dan:
    • - 500 m², indien gelegen binnen de bebouwde kom,
    • - 2.000 m2, indien gelegen buiten de bebouwde kom.
  • - het gebruik van gronden in strijd met het omgevingsplan, waarbij de perceelsoppervlakte niet meer bedraagt dan:
    • - 1.500 m², indien gelegen binnen de bebouwde kom,
    • - 15.000 m², indien gelegen buiten de bebouwde kom.
  • - het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, waarbij:
    • - de hoogte niet meer bedraagt dan 20 m, of
    • - de bebouwingsoppervlakte niet meer bedraagt dan 2.500 m²

3. Het aanpassen van het omgevingsplan, voor zover het wijzigingen betreft van technische aard.