Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.7

Zorgplicht

Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen

Wettelijk kader In de Omgevingswet komt de zorgplicht op verschillende plaatsen terug. Onderstaand overzicht geeft dit weer: Afdeling 1.3 Omgevingswet met uitwerking in artikel 1.3 Omgevingsbesluit: algemene zorgplichten en vangnetbepaling; Hoofdstuk 19 Omgevingswet: ongewoon voorval; Artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): specifieke zorgplicht Bal; Specifieke zorgplicht in het omgevingsplan. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als die er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Als de ecologische en fysische kwaliteiten van de bodem in het geding zijn, kunnen deze aspecten voor bodem onder de algemene zorgplicht vallen (als hieraan niet al specifieke regels zijn gesteld). Specifieke zorgplicht artikel 2.11 Bal en omgevingsplan Specifieke zorgplichten gelden - anders dan de algemene zorgplicht - ook als gedetailleerde specifieke regels gelden. Dat kunnen algemene regels en vergunningvoorschriften zijn. Als bijvoorbeeld het Bal van toepassing is, gelden specifieke zorgplichten van het Bal én andere algemene regels in het Bal. De specifieke zorgplicht is gericht op een specifieke activiteit. Degene die deze activiteit verricht doet er alles aan om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. De specifieke zorgplicht doet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Degene die een bodemverontreiniging of een bodemaantasting veroorzaakt, is verplicht de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (mits dit redelijkerwijs kan worden gevraagd). Als blijkt dat deze gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, kan het zelfs zijn dat de initiatiefnemer de activiteit achterwege moet laten. Bij de beantwoording van de vraag wat redelijkerwijs kan worden gevraagd kan de gemeente rekening houden met: Het tijdstip van het ontstaan van de verontreiniging; De kosten voor het (nagenoeg) volledig verwijderen van de verontreiniging in verhouding tot de milieuwinst; De mate van verantwoordelijkheid; De ligging (bijvoorbeeld onder een gebouw) en de mogelijkheid van uitstel tot een natuurlijk moment. Het uitgangspunt van de zorgplicht is terstond en volledig herstel. De begrippen ‘redelijkerwijs’ en ‘zoveel mogelijk’ bepalen welke (herstel)maatregelen een veroorzaker moet nemen om te voldoen aan de zorgplicht. Bedrijfsleven en overheden hebben gezamenlijk een algemeen afwegingskader opgesteld dat invulling geeft aan deze zorgplicht. Behalve op grond van de zorgplicht, kan de verwijdering van een nieuwe verontreiniging ook verplicht zijn op grond van de regels over het ongewoon voorval (H19 Omgevingswet, voorheen H17 Wet milieubeheer), of de herstelplicht bij bedrijfsbeëindiging naar aanleiding van een eindsituatieonderzoek bodem (op grond van regels in het Bal of op grond van voorschriften in de omgevingsvergunning voor een bedrijf). Vanzelfsprekende maatregelen bij het uitvoeren van activiteiten hoeven niet uitgeschreven te worden in regels, maar vallen onder de (specifieke) zorgplicht. Zo is het vanzelfsprekend om bij de uitvoering van de activiteit graven verwaaiing van grond te voorkomen (bijvoorbeeld door deze vochtig te houden), zeker als daar (mogelijk) een asbestverontreiniging in voorkomt. Wanneer tijdens de uitvoering materiaal wordt aangetroffen dat zichtbaar asbest zou kunnen bevatten, worden veiligheidsmaatregelen genomen om vermenging met andere bodemlagen en verspreiding naar de omgeving te voorkomen. Vaak is duidelijk wat onder de specifieke zorgplicht het doel is. Een overtreding is dan direct bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaafbaar. Maar soms is niet duidelijk wat precies de bedoeling is. Een maatwerkvoorschrift kan dan duidelijkheid bieden. Nieuwe verontreinigingen die onder overgangsrecht vallen Bij nieuwe verontreinigingen die zijn veroorzaakt na 1986 maar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet is de zorg- en herstelplicht van artikel 13 Wbb van toepassing, ook als de verontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ontdekt. Het geven van aanwijzingen op grond van artikel 27, tweede lid, Wbb is ook nog mogelijk door het bevoegd gezag Wbb, in dit geval de provincie Noord-Holland. Ongewoon voorval Het ongewoon voorval is een gebeurtenis met (mogelijke) significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Indien sprake is van een ongewoon voorval gelden er – ten opzichte van de zorgplicht – extra bevoegdheden voor het bevoegd gezag, extra verplichtingen voor de uitvoerder van de activiteit (zoals voorkomen dat het voorval nog een keer kan gebeuren) en extra verplichtingen voor het bevoegd gezag (bijvoorbeeld de verplichting om andere bevoegde gezagen te informeren). Het ongewoon voorval is nader toegelicht in paragraaf 10.3 van dit beleidskader.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel