Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Voorafgaand bodemonderzoek bij graven en saneren

Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen

Het doel van bodemonderzoek voorafgaand aan een activiteit is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Door voorafgaand bodemonderzoek te doen bij de activiteit graven kunnen we bepalen of de regels voor graven in de bodem met een kwaliteit gelijk of onder de interventiewaarde van toepassing zijn, of juist de regels voor graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Ook volgt uit het voorafgaand bodemonderzoek wat de verwachte hergebruiks- of verwerkingsmogelijkheden voor de te ontgraven grond zijn en hoe de partij-indeling bij een partijkeuring tot stand komt. In het Bal wordt in paragraaf 5.2.2. beschreven welke eisen worden gesteld aan ‘voorafgaand bodemonderzoek’. Op andere plekken in het Bal wordt vervolgens naar deze paragraaf verwezen. Dit hoofdstuk is een inhoudelijke aanvulling/toelichting op Bal paragraaf 5.2.2. Een voorafgaand bodemonderzoek bestaat in ieder geval uit een vooronderzoek. Afhankelijk van de resultaten hiervan, kan het noodzakelijk zijn om ook een verkennend bodemonderzoek te doen. Bij de volgende milieubelastende activiteiten schrijft het Bal voorafgaand bodemonderzoek volgens par 5.2.2. Bal voor: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven ≤ I); Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I); Saneren van de bodem (MBA Saneren). Ook bij de omgevingsplanactiviteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is voorafgaand bodemonderzoek volgens par 5.2.2 Bal verplicht. Het onderwerp bouwen van een bodemgevoelig gebouw, wat een sterke relatie heeft met de MBA saneren in het Bal, lichten we toe in hoofdstuk 8. Bij het bouwen op een bodemgevoelige locatie bepaalt het onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn. Het vooronderzoek bepaalt of de locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Het daarop volgende verkennend bodemonderzoek wijst uit of sprake is van overschrijding van de waarde die in het omgevingsplan staat. Voor de activiteit saneren geeft het onderzoek inzicht in de ontgravingscontour en -diepte om de beoogde saneringsdoelstelling te kunnen bereiken. Vooronderzoek In paragraaf 5.2.2 Bal is het vooronderzoek de eerste stap van het voorafgaand bodemonderzoek. Het vooronderzoek is gebaseerd op de NEN5725 ‘Bodemrichtlijn voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek’ [Lit. 8]. Daarmee wordt nagegaan of er bodembedreigende activiteiten op en in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden of plaatsvinden die de locatie met een of meer stoffen kunnen hebben verontreinigd. Daarnaast worden gegevens verzameld over de bodemkwaliteit op en in de onmiddellijke nabijheid van de locatie. Het vooronderzoek beantwoordt de vraag of sprake is van een verdachte locatie of een reeds eerder aangetoonde verontreiniging en doet een aanbeveling over een uit te voeren verkennend bodemonderzoek. Onderdeel van het vooronderzoek is ook om te beoordelen of de beschikbare informatie nog actueel en representatief genoeg is. In veel gevallen is een uitgebreid vooronderzoek niet nodig, bijvoorbeeld omdat er al informatie bekend is over de diffuse bodemkwaliteit (uit de bodemkwaliteitskaart of eerder uitgevoerd bodemonderzoek). Er kan met een vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) worden volstaan als een locatie is ingedeeld in een zone van de bodemkwaliteitskaart en het vvo uitwijst dat de bodemkwaliteitskaartzone representatief is voor de locatie. Wanneer uit het vvo blijkt dat de locatie verdacht is op het voorkomen van een bodembedreigende activiteit of een puntbron9Een puntbronverontreiniging is een gevolg van een of meer specifieke activiteiten op een locatie, in tegenstelling tot een diffuse verontreiniging die niet tot een specifieke verontreinigingsbron te herleiden is. is alsnog uitgebreider vooronderzoek volgens de NEN5725 nodig om te achterhalen om welke verontreinigende stoffen het gaat. Er kan sprake zijn van verdachte stoffen die geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Zie verder paragraaf 2.2 voor een uitleg van het vereenvoudigd vooronderzoek. Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Als een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging en er onvoldoende informatie is over de daadwerkelijke kwaliteit van de bodem of het grondwater, dan laat de initiatiefnemer een verkennend bodemonderzoek (volgens de NEN5740) uitvoeren [Lit. 9]. In het geval van een verdenking op asbest in de bodem is een verkennend bodemonderzoek asbest (volgens de NEN 5707 [Lit. 10]) nodig. In een verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest wordt door het (laten) uitvoeren van veldwerk (plaatsen boringen of graafgaten) en chemische analyses de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld. Wanneer sprake is van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem (meer dan 50 procent bodemvreemd materiaal) is een onderzoek conform NEN 5897 [Lit. 12] nodig. Nader bodemonderzoek Uit een verkennend bodemonderzoek en/of asbestonderzoek kan blijken dat een nader onderzoek (ingevolge artikel 5.7d Bal) in overeenstemming met NTA 5755 [Lit. 13] nodig is, omdat de aard of de omvang van een verontreiniging nog niet voldoende is vastgesteld. Het doel van het nader bodemonderzoek is heel divers en er is daarbij altijd sprake van maatwerk. Wanneer sprake is van een immobiele verontreiniging (en er is sprake van een diffuse verontreiniging) is een nader onderzoek niet altijd nodig. Voor graafwerkzaamheden in een bodemverontreiniging of een saneringsaanpak afdekken waarbij alleen sprake is van de stofgroepen metalen, overige anorganische stoffen, PAK, organochloorbestrijdingsmiddelen, minerale olie en asbest, kan een nader onderzoek achterwege blijven bij de MBA Graven ≤ en > I en bij de saneringsaanpak afdekken onder de MBA Saneren. Eisen waar verkennend bodemonderzoek aan moet voldoen Voor het uitvoeren van bodemonderzoek zijn verschillende protocollen en normen uitgewerkt. Dit zijn de protocollen en normen die ook voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing waren. Dit betekent dat een initiatiefnemer: Het verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en het verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 uitvoert; Het nader bodemonderzoek conform NTA 5755 en het nader bodemonderzoek asbest conform NEN5707 uitvoert. Voor het uitvoeren van het veldwerk voor het verkennend of nader bodemonderzoek (asbest) heeft de onderneming een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 nodig en heeft een laboratorium of inspectie-instantie een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000 nodig. Onder de BRL SIKB 2000 en AS SIKB 2000 gelden verschillende protocollen voor het plaatsen van boringen en peilbuizen en het bemonsteren van de bodem (protocol 2001), het bemonsteren van grondwater (2002) en het uitvoeren van asbestonderzoek (2018) waarvoor de onderneming aanvullend erkend moet zijn. Voor het uitvoeren van de laboratoriumanalyses heeft het laboratorium of de inspectie-instantie een erkenning bodemkwaliteit AS3000 en onderliggende protocollen nodig. Voor het uitvoeren van vooronderzoek, maar ook voor het rapporteren van de resultaten van het verkennend of nader bodemonderzoek (asbest), is geen erkenning noodzakelijk. Wanneer is verkennend of nader bodemonderzoek (asbest) noodzakelijk? Wanneer uit een vereenvoudigd vooronderzoek blijkt dat sprake is van een puntbron of de verdenking hierop, wordt eerst een uitgebreid vooronderzoek volgens de NEN5725 uitgevoerd. Indien het resultaat van het uitgebreid vooronderzoek hier aanleiding toe geeft is vervolgens een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 (bij graven en saneren) of een partijkeuring (bij toepassen) nodig. Wanneer er verdenking bestaat op het voorkomen van een asbestverontreiniging, dan wordt een verkennend bodemonderzoek asbest (NEN5707) uitgevoerd. Zones bodemkwaliteitskaart Ook kan op basis van de zone-indeling op de bodemkwaliteitskaart (Bijlage 3A) of voorgenomen activiteit verkennend bodemonderzoek verplicht zijn. De vigerende bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden onderscheidt vier zones op basis van de lokale bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis (zones 1 tot en met 4). Daarnaast worden er nog twee zones onderscheiden waar gebiedsspecifiek beleid van toepassing is (zones 1A en 1B). Binnen de gemeente Diemen is alleen sprake van zones 1, 2 en 3 en zijn er gebieden met te weinig gegevens. Ook zijn enkele saneringsgebieden aangeduid, waarbinnen regels gelden die in het sanerings- of nazorgplan zijn opgenomen. Zie verder paragraaf 2.4 van dit beleidskader voor een nadere aanduiding van de zones. Verkennend bodemonderzoek Een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 is noodzakelijk bij: Constatering van een puntbron of verdenking hierop; Voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw, binnen de gemeente Diemen in BKK-zone 3 en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens, zie hoofdstuk 8; MBA Graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit boven de interventiewaarde, zie paragraaf 3.3; MBA Graven en Kleinschalig graven in de openbare weg; MBA Graven en Kleinschalig graven in niet-vastgestelde zones (vanwege te weinig gegevens) zonder representatief bodemonderzoek; MBA Saneren voorafgaand aan de bouw van een bodemgevoelig gebouw, of vrijwillige sanering, zie hoofdstuk 4. Het bodemonderzoek volgt echter meestal al bij de voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw. Graven in de openbare weg Bij herprofileringen, werk aan kabels en leidingen en andere werkzaamheden aan de openbare weg komen vaak zand en funderingsmateriaal vrij. Het funderingsmateriaal kan bestaan uit allerlei soorten steenachtig materiaal, van puinhoudende grond tot hoogovenslakken. In feite wijken zowel de opbouw als de samenstelling van het wegprofiel dermate af van de omgeving dat de bodemkwaliteitskaart niet representatief is voor de openbare weg. Bij graafwerk in de openbare weg is een indicatief bodemonderzoek noodzakelijk (behalve als er al een representatief bodemonderzoek aanwezig is). Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van asbest (bijvoorbeeld bij aantreffen van puin). Wanneer is géén verkennend bodemonderzoek nodig? Soms is de uitkomst van een (vereenvoudigd) vooronderzoek dat verkennend bodemonderzoek niet nodig is. Dat kan zo zijn in de volgende gevallen: Uit het vooronderzoek voorafgaand aan graafwerkzaamheden die vallen onder de MBA graven Bal in zones op de bodemkwaliteitskaart met een kwaliteitsklasse tot maximaal industrie (dit betreft binnen de gemeente Diemen BKK-zone 1, 2 en 3) is gebleken dat de locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van een puntbron (zie art. 5.7a en 5.7b lid 1 van het Bal); Uit het vooronderzoek voorafgaand aan graafwerkzaamheden die vallen onder Kleinschalig graven (≤ 25 m3) is gebleken dat de locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van een puntbron; Uit het vooronderzoek voorafgaand aan de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen van een bodemgevoelig gebouw’ in zones 1 en 2 van de BKK is gebleken dat de locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van een puntbron; Bij het vooronderzoek blijkt dat er eerder uitgevoerd bodemonderzoek is uitgevoerd dat geschikt is om te gebruiken. XML-format (SIKB0101) Het is in het belang van initiatiefnemers dat gebruik kan worden gemaakt van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Daarom worden uitgevoerde bodemonderzoeken ook opgenomen in het Bodem Informatiesysteem (BIS). Om de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport efficiënt te kunnen invoeren in het bodeminformatiesysteem, is het verplicht de resultaten van een bodemonderzoek10Het gaat hier om nieuw uitgevoerde bodemonderzoeken. Als men bij een melding gebruik maakt van resultaten van een onderzoek dat zich reeds in het BIS bevindt is het niet nodig om opnieuw een XML aan te leveren. ook aan te leveren in de meest recente versie van het XML-format of in de één na laatste versie. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de SIKB die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven. Dit vereenvoudigt het verwerken van de milieuhygiënische data in het bodeminformatiesysteem van de gemeente of de Omgevingsdienst NZKG. De voorwaarden waaraan het XML-bestand moet voldoen staan beschreven in Bijlage 8 van dit beleidskader. Representativiteit bodemonderzoek Er zijn in het Bal geen specifieke termijnen opgenomen voor de geldigheid van een onderzoek. De beoordeling of een eerder uitgevoerd bodemonderzoek nog voldoende actueel en representatief is, is altijd maatwerk en onderdeel van het vooronderzoek. Het bevoegd gezag doet een eindbeoordeling. Diemen houdt als geldigheidstermijn voor bodemonderzoeken in principe 5 jaar aan, maar het bevoegd gezag staat het indienen van ouder onderzoek soms wel toe. Voorwaarde is dat kan worden aangetoond dat er na uitvoering van het bodemonderzoek geen verontreiniging is toegevoegd, of bodemrapporten kunnen worden overlegd waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen). Verder is van belang dat het eerder uitgevoerd bodemonderzoek betrekking heeft op de relevante bodemlagen en onderzochte parameters en in de directe nabijheid ligt van de locatie waarop de activiteit betrekking heeft. Lozingsvoorschriften bij bodemonderzoek Tijdens het uitvoeren van bodemonderzoek kan afvalwater vrijkomen door het oppompen van grondwater. Voor dit afvalwater zijn geen normen opgenomen, omdat de kwaliteit van het grondwater pas bekend is na het onderzoek. De lozingsroute voor het grondwater is het vuilwaterriool, omdat niet is uit te sluiten dat het grondwater verontreinigd is. Via een maatwerkvoorschrift op art 5.7 f lid 2 Bal (in combinatie met het artikel voor de MBA graven of saneren dat onderzoek conform paragraaf 5.2.2 Bal verplicht stelt) kan het bevoegd gezag ook een andere lozingsroute toestaan. Wil men (in plaats van op het vuilwaterriool) lozen op of in de bodem of op het schoonwaterriool, dan moet men, vóórdat het onderzoek wordt uitgevoerd, een maatwerkvoorschrift aanvragen bij de gemeente. Wil men lozen op een regionaal oppervlaktewater, dan heeft men een maatwerkvoorschrift van het waterschap nodig waarbij het waterschap deze lozingsroute toestaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel