Doel van het vooronderzoek is nagaan of er sprake is van een verdachte locatie. Een locatie is verdacht als er aanwijzingen zijn voor een locatiegebonden bodemverontreiniging (puntbron), waardoor de bodemkwaliteit mogelijk afwijkt van de diffuse bodemkwaliteit zoals deze is weergegeven op de bodemkwaliteitskaart.
Een vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) als invulling van de NEN5725 is toegestaan als een locatie is ingedeeld in een zone van de bodemkwaliteitskaart en het vereenvoudigd vooronderzoek uitwijst dat de bodemkwaliteitskaartzone representatief is voor de locatie.
Wanneer echter sprake is van een puntbron of de verdenking hierop wordt - aanvullend op het vereenvoudigd vooronderzoek - een uitgebreid vooronderzoek volgens de NEN5725 uitgevoerd.
Voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij de activiteiten graven, saneren, bouwen of toepassen is een onderzoek naar eventuele puntbronnen verplicht. Hierbij wordt er gekeken of er aanvullende gegevens bestaan over een brongerelateerde verontreiniging op de plek van de ontgraving/herkomstlocatie. Zo nee, dan is de ontgraving/herkomstlocatie ‘niet verdacht’ en mag worden aangenomen de kwaliteit van de bodem/bewuste partij grond overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven in de bodemkwaliteitskaart (het gemiddelde voor de ontvangende bodem en de P80-waarde11De P80-waarde (of 80-percentielwaarde) is de waarde waarbij 80 procent van de waarnemingen een waarde vertoont die onder die waarde ligt. De P80-waarde geeft een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit op een locatie dan alleen het gemiddelde van de waarnemingen. Daardoor treedt bij ontgraven minder snel ongewenste vermenging van schone en minder schone grond op. voor de te ontgraven partij).
Een uitgebreid vooronderzoek is niet nodig bij de volgende activiteiten (hier volstaat een vereenvoudigd vooronderzoek als geen puntbron of verdenking wordt geconstateerd):
Voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw, zie hoofdstuk 8;
MBA graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde, zie paragraaf 3.2;
MBA graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit boven de interventiewaarde, zie paragraaf 3.3;
Graven onder de regels voor kleinschalig graven (≤ 25 m3), zie paragraaf 3.4;
MBA saneren in samenhang met bouwen of vrijwillige sanering, zie hoofdstuk 4;
MBA toepassen van grond uit BKK-zones 1, 2 en 3 (met de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring, mits toepassing is toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix of met een partijkeuring), zie hoofdstuk 6.
Welke bronnen moeten minimaal worden geraadpleegd?
De NEN 5725 gaat ervan uit dat je alle voor het vooronderzoek relevante en beschikbare informatie over de locatie doorneemt en daarvan verslag doet in een rapportage. Zo moet inzicht worden gegeven van alle mogelijke verontreinigingen op de locatie. Het vereenvoudigd vooronderzoek is de interpretatie van de NEN 5725, waarin minder informatiebronnen worden geraadpleegd, maar minimaal de volgende:
Locatiegegevens van de initiatiefnemer (adresgegevens, bouwjaar gebouwen, evt. brand, voormalige en huidig gebruik van locatie);
Bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland en Meerlanden 2020 (welke achtergrondkwaliteit, welke zone, bij toepassen: zowel de locatie van herkomst als de toepassingslocatie);
Historische gegevens via Topotijdreis (bodeminformatie activiteiten, ligging brandstoftanks, dempingen, ophogingen en storten, evt voormalige sloten, voormalige bedrijfsterreinen, vooroorlogse boerenerven);
Actueel Hoogtebestand Nederland (zie Home | AHN);
Bodeminformatiesysteem Nazca via GIS-viewer OD NZKG (gegevens uit bodemrapporten, asbestonderzoek);
PFAS-kaart (achtergrondconcentratieniveaus);
Kaarten en luchtfoto’s en topotijdreis (Zie: Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten) (ontwikkeling (van bebouwing op) locatie over achtereenvolgende jaren, inschatten kans op asbestbron.
Extra aandacht voor organochlooorbestrijdingsmiddelen
In de bodem van landbouwpercelen worden nog geregeld organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) aangetroffen. Deze stoffen komen niet voor in het standaard stoffenpakket. Gezien het feit dat deze stoffen zeer lokaal worden aangetroffen (op sommige landbouwpercelen wel, op andere niet) is er geen sprake van een diffuse verontreiniging in het hele landbouwgebied van de regio. Opname in de bodemkwaliteitskaart is om die reden niet goed mogelijk.
Wanneer grond wordt ontgraven afkomstig van een landbouwperceel liggend in een vastgestelde BKK-zone en deze partij wordt elders toegepast, kan gebruik worden gemaakt van eventuele vrijstelling voor het doen van onderzoek voor de stoffen die opgenomen zijn in de bodemkwaliteitskaart.
In het vooronderzoek moet echter wel aandacht worden besteed aan OCB’s. Wanneer blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er in het verleden OCB’s op het betreffende perceel zijn toegepast mag een bodemonderzoek achterwege blijven.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Vereenvoudigd vooronderzoek (vvo)
Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen