Wettelijk kader:
De activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.21 (artikelen 3.48d en e); de algemene regels onder paragraaf 4.119 (artikelen 4.1219 tot en met 4.1223) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
De interventiewaarden als grens tussen de activiteit graven in een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en de activiteit graven in een bodemkwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit staan vast. Deze zijn opgenomen in bijlage IIA van het Bal.
In Diemen komt graafwerk in bodem met een kwaliteit onder (of gelijk aan) de interventiewaarde zeer vaak voor. Onder de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven ≤ I) valt:
Het graven;
Het zeven van de uitkomende grond op de locatie;
Het tijdelijk opslaan van grond;
Het terugplaatsen van grond nadat het maximaal 8 weken tijdelijk is opgeslagen.
Bij afvoer van grond moet worden voldaan aan de afvalstoffenwetgeving.
Uitgesloten van deze activiteit is het volgende:
Graven in een bodemvolume minder dan of gelijk aan 25 m3 (zie hiervoor paragraaf 3.4 Kleinschalig graven);
Graven in een waterbodem.
Voorafgaand bodemonderzoek
Het is in Diemen toegestaan om de resultaten van een vereenvoudigd vooronderzoek in te dienen, in plaats van de resultaten van een uitgebreid NEN 5725-onderzoek. In bepaalde gevallen kan ook een verkennend bodemonderzoek achterwege blijven.
Zie paragraaf 2.1 en 2.2 voor de eisen aan het voorafgaand bodemonderzoek bij deze activiteit.
Onverwacht aantreffen van asbestverdacht materiaal
Tijdens het graven kan onverwacht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen. Omdat hiernaar geen onderzoek is gedaan, is niet duidelijk of er mogelijk een sterke asbestverontreiniging aanwezig is en de regels voor Graven > I gelden. Het graafwerk moet tijdelijk gestaakt worden en er moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd.
Afhankelijk van de uitkomst van dit asbestonderzoek kan het nodig zijn een melding MBA Graven > I in te dienen. Er zal zonodig onder asbestcondities moeten worden gewerkt. Verspreiding van asbestverdacht materiaal wordt voorkomen. De situatie moet op locatie beoordeeld worden door een asbestdeskundige of milieukundig begeleider met asbestervaring. Onder zijn begeleiding vindt op basis van verdachtheid op locatie een voorlopige scheiding in partijen en opslag plaats, daarna wordt onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707. Is er sprake van tijdelijke uitname dan kan de Richtlijn voor risicogestuurd werken met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem [Lit. 24] worden geraadpleegd.
Ter bepaling van eventuele mogelijkheden voor hergebruik van de ontgraven grond wordt een partijkeuring uitgevoerd of wordt de grond naar een erkend verwerker afgevoerd.
Partijen grond gescheiden houden bij graven, terugplaatsen en afvoeren
Tijdens het graven kunnen meerdere partijen grond ontstaan met verschillende kwaliteitsklassen. Bij het graven, het terugplaatsen of het afvoeren van grond worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden gehouden. Dit is nodig om de gezondheid te beschermen, de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren.
Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en om doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen.
Bij het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het meestal om grond die herbruikbaar is en onder de regels van de MBA Toepassen eventueel elders kan worden toegepast. Dit zijn de kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) zijn ingedeeld, te weten landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit kan ook niet herbruikbare grond vrijkomen (kwaliteitsklasse matig verontreinigd). Toepassen onder de regels van de MBA Toepassen (paragraaf 4.124 Bal) is dan niet mogelijk.
De rijksregels spreken over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen (volgens de indeling, weergegeven in artikel 25d Bbk (gewijzigd)). Hieronder wordt verstaan:
Bij ontgraven op basis van de bodemkwaliteitskaart worden lagen gescheiden gehouden indien deze een verschillende gemiddelde kwaliteit hebben (bijvoorbeeld top wonen, diep landbouw/natuur);
Indien AP04-onderzoek heeft plaatsgevonden wordt ontgraven volgens de kwaliteitsgrenzen van de onderzochte partijen, want dan is sprake van ‘partijen die op grond van 25d Bbk zijn ingedeeld’;
Bij ontgraven op basis van een verkennend onderzoek volgens NEN5740 wordt, behoudens de civieltechnisch scheidbare kwaliteit, niet gescheiden ontgraven. Om dat wel te doen is namelijk een nader onderzoek nodig om de grens tussen twee kwaliteiten te trekken. Verdere scheiding mag natuurlijk wel, maar dan gebeurt dit bijvoorbeeld op verzoek van de ontvangende partij.
In Diemen worden ook civieltechnisch scheidbare grondsoorten (zand, klei, veen) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gescheiden gehouden. Onder redelijkerwijs kan worden gedacht aan het apart houden van bijvoorbeeld klei- en/of veengrond, die visueel te onderscheiden is (afwijkende kleur of structuur) wanneer deze onder de ophooglaag van zand zichtbaar wordt.
Tijdelijke uitname
Bij tijdelijk uitnemen van grond wordt de grond zonder te zijn bewerkt, op of nabij het ontgravingsprofiel onder dezelfde omstandigheden teruggeplaatst. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan de grond binnen deze MBA worden teruggeplaatst. Als niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt het terugplaatsen beschouwd als een nieuwe toepassing, waarvoor de regels uit de paragrafen 3.2.26 en 4.124 van het Bal gelden (zie ook hoofdstuk 6 van dit beleidskader).
De zinsnede ‘op en nabij het ontgravingsprofiel’ laat enige speelruimte. Als sprake is van dezelfde toepassing en aan de overige voorwaarden (zie hierboven) wordt voldaan, dan hoeft de grond niet precies weer op de plaats van de uitname te worden aangebracht. Het uitgangspunt is wel dat in deze situaties er weinig tot niets verandert aan de milieubelasting van de bodem. Bijvoorbeeld het wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact dezelfde plaats). Of bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem).
Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel en vice versa of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag).
Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd.
Zeven
Zeven wordt niet gezien als een bewerking en is toegestaan bij de milieubelastende activiteit graven. Zeven is een relatief eenvoudige en veelvoorkomende bewerking om puin uit de grond te halen en daarmee de verdichtbaarheid te verbeteren, mogelijke beschadigingen aan kabels en leidingen te voorkomen en toekomstig graafwerk te vereenvoudigen.
Tijdelijk opslaan
Tijdens of na het graven kan het noodzakelijk zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd.
De partijen grond die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden moeten ook tijdens de tijdelijke opslag gescheiden blijven. Er wordt enige afstand tussen de deelpartijen aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht. Omdat de opslag voor korte tijd is en de kwaliteit ≤ I, is het niet nodig om bodembeschermende maatregelen te nemen, zoals het aanbrengen van een folie. Bij droge condities wordt voorkomen dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gedaan worden door de grond vochtig te houden, het depot af te dekken of de grond in afsluitbare containers op te slaan.
Als het voornemen bestaat om de grond (nadat de werkzaamheden zijn afgerond) langer dan de maximaal toegestane periode van 8 weken op te slaan of op een andere locatie dan de ontgravingslocatie, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie (zie hoofdstuk 5 van dit beleidskader). Als de verwachting is dat de termijn van acht weken slechts korte tijd wordt overschreden, dan kan een aanvraag worden gedaan voor een maatwerkvoorschrift op de regel over opslag bij graven in het Bal.
Na afloop van de toegestane periode van tijdelijke opslag
De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Er zijn dan in elk geval vier opties:
De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een andere locatie om daar toe te passen onder de regels voor toepassen (zie hoofdstuk 6);
Het bevoegd gezag geeft op verzoek van de initiatiefnemer een maatwerkvoorschrift af met een langere termijn dan acht weken; of
De tijdelijke opslag wordt voortgezet onder de MBA Opslaan. De regels van deze MBA zijn dan van toepassing (zie hoofdstuk 5);
De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker12Erkende verwerkers/inzamelaars van afvalstoffen staan vermeld op de VIHB-lijst (Vervoerder Inzamelaar Handelaar Bemiddelaar). Deze lijst wordt beheerd door de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO)..
Geen grond met PFAS terugplaatsen
Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
59 µg/kg ds bij PFOS;
60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
59 µg/kg ds bij overige PFAS.
Informatieplicht
Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, waarbij meer dan 25 m3 wordt ontgraven en er tevens grond wordt afgevoerd, geldt een informatieplicht.
Als er uit het vooronderzoek geen verdenking op een brongerelateerde verontreiniging (puntbron) naar voren komt en de ontgravingslocatie onderdeel is van de binnen de gemeente Diemen liggende BKK-zone 1, 2 of 3, dan is op basis hiervan voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sterke verontreiniging aanwezig is.
Tenminste 1 week voor de start van de graafwerkzaamheden moet het bevoegd gezag geïnformeerd worden over:
Algemene gegevens op grond van art. 2.18 Bal (aanduiding activiteit, gegevens initiatiefnemer, adres activiteit en datum);
De begrenzing van de locatie waar het graafwerk plaatsvindt;
De datum dat gestart wordt met de werkzaamheden;
De verwachte duur.
Wijzigingen
Als de begrenzing of de verwachte begindatum van de activiteit MBA graven ≤ I wijzigt moeten de gewijzigde gegevens zo snel mogelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
Wanneer geen informatieplicht?
De informatieplicht geldt niet in de volgende situaties:
Als de activiteit uitsluitend bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond (inclusief de daarbij behorende tijdelijke opslag). Als onverwachts toch grond wordt afgevoerd geldt alsnog de informatieplicht;
Als er in de bodem wordt gegraven vanwege een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
Bij spoedreparaties moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedoperatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om te voldoen aan de termijn van de informatieplicht. De hoeveelheid te ontgraven grond moet in verhouding staan tot het uitvoeren van een spoedreparatie. De overige regels met betrekking tot graven beneden of gelijk aan de interventiewaarde – voor het gescheiden houden van grond, het tijdelijk uitnemen en tijdelijke opslag - zijn ook van toepassing op een dergelijke spoedreparatie. Bij spoedreparaties wordt na afloop van de activiteit zo snel mogelijk informatie verstrekt over de begrenzing, de datum van de werkzaamheden en de aanleiding.
Zorgplicht altijd van toepassing
Op het uitvoeren van alle graafwerkzaamheden (dus ook bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur) geldt uiteraard ook de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij beoordeelt of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.
Overgangsrecht
Als er voordat de Omgevingswet in werking treedt een melding is gedaan op grond van artikel 28 Wbb voor een graafactiviteit op een locatie, dan is hiermee tevens voldaan aan de informatieverplichting voor graven onder of gelijk aan de interventiewaarde (paragraaf 4.119 Bal) voor zover die geldt voor de graafactiviteit op die locatie.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2
Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen