Wettelijk kader:
De milieubelastende activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.22 (artikelen 3.48f en g); de algemene regels onder paragraaf 4.120 (artikelen 4.1224 tot en met 4.1234) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
De interventiewaarden als grens tussen de activiteit graven in een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en de activiteit graven in een bodemkwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit staan vast. Deze zijn opgenomen in bijlage IIA van het Bal.
Er zijn in Diemen geen bodemkwaliteitskaartzones die een kwaliteit boven de interventiewaarde aanduiden. Pas na bodemonderzoek (of wanneer sprake is van reeds uitgevoerde, nog representatieve onderzoeken) waaruit blijkt dat de bodem boven de interventiewaarde verontreinigd is, valt graafwerk onder deze MBA.
Wanneer in Diemen wordt gegraven in grond die boven de interventiewaarde verontreinigd is, is dit in 95 procent van de gevallen noodzakelijk voor een bepaald project: een zogeheten projectmatige ontgraving, zonder een saneringsdoelstelling. Bijvoorbeeld voor nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, tunnels, herinrichtingen, het doen van funderingsonderzoek en -herstel, kabel & leidingwerk en rioleringswerkzaamheden.
In de resterende gevallen kan met ontgraven uitvoering worden gegeven aan de saneringsaanpak ‘verwijderen’ van de MBA saneren, waarbij wel sprake is van een saneringsdoelstelling.
In situaties wanneer projectmatig meer dan 25 m3 wordt ontgraven, is sprake van een milieubelastende activiteit, namelijk het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I). Ook wanneer de bodem van slechts een deel van de ontgraving > I verontreinigd is, valt de ontgraving onder deze MBA. Dit is bijvoorbeeld vaak het geval bij graafwerkzaamheden aan langere kabel- en leidingtracés.
Onder graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I) valt:
Het graven;
Het zeven van de uitkomende grond op de locatie;
Het tijdelijk opslaan van grond;
Het terugplaatsen van grond na afloop van het tijdelijk opslaan (dat maximaal 8 weken mag duren).
Bij afvoer van grond moet worden voldaan aan de afvalstoffenwetgeving.
Uitgesloten van deze activiteit is het volgende:
Graven in een bodemvolume minder dan 25 m3 (zie hiervoor paragraaf 3.4 Kleinschalig graven);
Graven in een waterbodem.
Voorafgaand bodemonderzoek
Het is in Diemen toegestaan om - in plaats van de resultaten van een NEN 5725-onderzoek - de resultaten van een vereenvoudigd vooronderzoek in te dienen. Wanneer graafwerk binnen de gemeente Diemen niet valt in een van de vastgestelde BKK-zones (deze zijn alle < I) of valt in de openbare weg, moet altijd een verkennend bodemonderzoek (conform NEN5740) worden uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt of er sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde.
Zie paragraaf 2.1 en 2.2 van dit beleidskader voor de eisen aan het voorafgaand bodemonderzoek bij deze activiteit.
Onverwacht aantreffen van asbestverdacht materiaal
Tijdens het graven kan onverwacht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen. In dat geval betekent dit dat de melding niet meer actueel is, want het voorafgaand bodemonderzoek is onderdeel van de indieningsvereisten. De initiatiefnemer is verplicht deze gegevens actueel te houden (zie ook artikel 4.1225, derde lid van het Bal). Het graafwerk moet tijdelijk gestaakt worden en er moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van dit asbestonderzoek kan het nodig zijn een wijziging op de melding MBA Graven > I in te dienen. Er zal zonodig onder asbestcondities moeten worden gewerkt. Verspreiding van asbestverdacht materiaal wordt voorkomen. De situatie moet op locatie beoordeeld worden door een asbestdeskundige of milieukundig begeleider met asbestervaring. Onder zijn begeleiding vindt op basis van verdachtheid op locatie een voorlopige scheiding in partijen en opslag plaats, daarna wordt onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707. Is er sprake van tijdelijke uitname dan kan de Richtlijn voor risicogestuurd werken met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem [Lit. 24] worden geraadpleegd. Ter bepaling van eventuele mogelijkheden voor hergebruik van de (niet-sterk verontreinigde) ontgraven grond wordt een partijkeuring uitgevoerd of wordt de grond naar een verwerker afgevoerd. Dit laatste geldt in ieder geval voor de sterk verontreinigde grond.
Partijen grond gescheiden houden bij graven, terugplaatsen en afvoeren
Bij het graven kunnen meerdere partijen grond ontstaan van verschillende kwaliteitsklassen. Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en vanwege het doelmatig beheer van afvalstoffen moeten partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden gehouden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond. Het gaat hierbij om de kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) zijn ingedeeld, te weten landbouw/natuur, wonen, industrie, matig verontreinigd en sterk verontreinigd. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen.
Aan het gescheiden houden van matig of sterk verontreinigde grond zijn extra eisen gesteld om ervoor te zorgen dat de kans groter is dat de grond gereinigd kan worden.
Matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond die vrijkomt bij het graven wordt gescheiden gehouden door de grond op te delen in partijen. Daarbij gelden de volgende criteria, weergegeven in art. 4.1230 Bal:
Apart houden van verschillende grondsoorten (zand, klei of veen);
Apart houden van partijen met een gewogen gehalte asbest onder de interventiewaarde bodemkwaliteit en partijen met een gewogen gehalte asbest boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; en
Apart houden van partijen die uitsluitend zijn verontreinigd met organische verbindingen.
Zeven
Er moet ook onderscheid gemaakt worden tussen lagen met meer en minder bodemvreemd materiaal. Een laag die bestaat uit meer dan 50 procent (gewichtspercentage) aan bodemvreemd materiaal, wordt niet gezien als grond, maar als puin of afval. De aanwezigheid van puin en/of afval kan de kosten en/of het resultaat van de reiniging beïnvloeden. In veel gevallen verdient het daarom aanbeveling om puin en afval op de locatie af te zeven op maximaal 32 mm.
Het zeven van bodemvreemd materiaal uit een partij grond wordt niet gezien als een bewerking en is toegestaan onder de algemene regels voor de activiteiten graven in de bodem.
Als het zeven gebeurt om de kwaliteit van een partij niet toepasbare grond te verbeteren, dan mag dat op de locatie van de ontgraving, als de organisatie die de grond zeeft beschikt over een erkenning (BRL 7500) en als de betreffende locatie is gemeld bij de certificerende instelling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een partij asbesthoudende grond (boven de hergebruikswaarde van 100 mg/kg) wordt gezeefd zodat de partij daarna weer als herbruikbare grond teruggeplaatst kan worden.
Als afzeven niet mogelijk is, dan wordt een indeling gemaakt van partijen met en partijen zonder puin en/of afval.
Tijdelijke uitname
Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem (in hetzelfde ontgravingsprofiel). In dat geval gelden niet de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze MBA. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:
De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal;
Het terugplaatsen vindt plaats in hetzelfde profiel en onder dezelfde omstandigheden.
Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag).
Tijdelijk opslaan
Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen, tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd.
De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook gedurende de tijdelijke opslag gescheiden worden gehouden. Er moet enige afstand tussen de deelpartijen aangehouden worden of een fysieke scheidingswand worden aangebracht. Omdat de grond maar kort wordt opgeslagen is in principe niet nodig om bodembeschermende maatregelen te nemen, zoals het aanbrengen van een folie. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond van slechtere kwaliteit is dan de bodem waarop wordt opgeslagen of wanneer de verontreiniging zich kan verspreiden (bijvoorbeeld de ontgraving van een spot met door minerale olie verontreinigde grond).
Bij droge condities moet voorkomen worden dat de opgeslagen grond verwaait of verstuift. Dit is vooral van belang als het asbesthoudende grond betreft. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van de grond in afsluitbare containers.
Als men de grond langer dan de binnen de MBA Graven > I toegestane periode van 8 weken wil opslaan of op een andere locatie dan de ontgravingslocatie, dan gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie (zie hoofdstuk 5 van dit beleidskader). Als men verwacht dat de maximale termijn van 8 weken slechts korte tijd wordt overschreden, dan kan men een verzoek doen voor een maatwerkvoorschrift op de regel over opslag bij graven in het Bal.
Na afloop van de toegestane periode van tijdelijke opslag
Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet op te slaan. Deze periode is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond.
Er zijn dan in elk geval vier opties:
De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker zoals:
een opslaglocatie voor het opslaan van grond en baggerspecie (grondbank);
een verwerker voor reiniging of immobilisatie (grondreinigingsbedrijf); of
een stortplaats, waar de grond met een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid (ontheffing van het stortverbod voor grond zoals opgenomen in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen) kan worden gestort;
Grond die voldoet aan de kwaliteitseisen voor toepassing (kwaliteitsklasse industrie of schoner), kan elders worden toegepast onder de regels voor toepassen (zie hoofdstuk 6);
Het bevoegd gezag geeft op verzoek van de initiatiefnemer een maatwerkvoorschrift af met een langere termijn dan acht weken; of
De tijdelijke opslag wordt voortgezet onder de MBA Opslaan. In dat geval zijn de regels van deze milieubelastende activiteit van toepassing (zie hoofdstuk 5).
Niet terugplaatsen van grond die sterk verontreinigd is met mobiele stoffen
We noemen een verontreiniging in de bodem mobiel als deze, al dan niet via de vaste fase van de bodem, in het grondwater terecht is gekomen en zich in of met het grondwater kan verspreiden.
Bij projectmatige ontgravingen mag vrijkomende grond, die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen tot boven de interventiewaarden, niet zonder meer worden teruggeplaatst in het ontgravingsprofiel. De verontreinigingen in deze grond zijn dezelfde stoffen die in het grondwater voorkomen tot boven de signaleringsparameters13De signaleringsparameters (zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn gelijk aan de interventiewaarden grondwater onder de Wbb..
Niet terugplaatsen geldt voor vrijkomende grond, verontreinigd met mobiele stoffen
die zich boven, onder of zowel boven als onder de grondwaterspiegel bevinden en die zich hebben verspreid naar het grondwater;
uit een drijflaag14Laag van slecht oplosbare verontreinigende stof(fen) in productvorm met een soortelijke massa die lager is dan water en zodoende blijft drijven op het grondwater en waarbij de olie zich als aparte, aaneengesloten fase door de bodem kan bewegen. Er is dan zoveel olie in de bodem aanwezig dat de retentiecapaciteit (het volume olie per volume grond dat door de bodem kan worden vastgehouden) wordt overschreden. (bijvoorbeeld minerale olie).
Onder mobiele stoffen worden aromatische verbindingen, gechloreerde koolwaterstoffen – subgroep vluchtige koolwaterstoffen en minerale olie verstaan. Uit bodemonderzoek kan blijken dat een stof die doorgaans immobiel is, toch mobiel is. Bijvoorbeeld zware metalen kunnen mobiel worden bij een lage pH-waarde in de bodem. Aan de andere kant kan uit bodemonderzoek blijken dat een stof waarvan verwacht werd dat deze mobiel is, deze in de specifieke omstandigheden toch niet mobiel is. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal.
Het bevoegd gezag beschouwt vrijkomende grond in zo’n situatie als een afvalstof die niet opnieuw gebruikt kan worden. De grond mag alleen worden teruggeplaatst als uit grondwateronderzoek blijkt dat de verontreiniging in het grondwater beneden de signaleringsparameters ligt. Grond uit een drijflaag moet in het kader van deze MBA altijd worden afgevoerd.
Als het bevoegd gezag een vermoeden heeft van een mobiele stof boven de interventiewaarde en een initiatiefnemer kiest ervoor om geen grondwateronderzoek uit te voeren omdat het graafwerk beperkt blijft tot de grondlaag boven de grondwaterspiegel, dan gaat het bevoegd gezag uit van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde en moet de grond worden afgevoerd.
Een initiatiefnemer kan via een maatwerkvoorschrift een verzoek indienen om hiervan te mogen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als afvoer niet doelmatig is en er uit milieuhygiënisch oogpunt geen winst te behalen valt.
Geen grond met PFAS terugplaatsen
Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
59 µg/kg ds bij PFOS;
60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
59 µg/kg ds bij overige PFAS.
Kwaliteitsborging uitvoering
Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren, wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Alleen die ondernemingen mogen de MBA graven > I verrichten. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning, afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd).
Milieukundige begeleiding
Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren, wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 (persoonsgebonden certificaat) als:
een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het ontgravingsprofiel, maar zal worden afgevoerd15Omdat het praktisch gezien bijna nooit mogelijk is om alle grond weer terug te brengen in het profiel van ontgraving wordt hiervoor een ondergrens gehanteerd van 25 m3. Dit wil zeggen dat kan worden afgezien van milieukundige begeleiding als ten hoogste 25 m3 verontreinigde grond niet kan worden teruggeplaatst en van de locatie moet worden afgevoerd (zie art. 4.1233 lid a Bal).;
op de locatie al een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag; of
sprake is van meerdere partijen (kwaliteitsklassen) die gescheiden moeten worden gehouden.
Bij de MBA graven > I is alleen milieukundige processturing nodig. De borging van de kwaliteit van de uitvoering richt zich op werkzaamheden rondom de grond- en eventueel de afvalstromen, zoals op de graafwerkzaamheden in een aangebrachte afdeklaag die het gevolg is van een eerdere sanering.
Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL 6000.
Dit evaluatieverslag is onderdeel van de gegevens en bescheiden die de initiatiefnemer aan het einde van de activiteit aan het bevoegd gezag overlegt. Bijzondere omstandigheden tijdens het graven, zoals het onverwacht aantreffen van een afwijkende verontreiniging, worden vermeld in het evaluatieverslag.
Meldplicht en informatieplicht
Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, geldt naast een meldplicht ook een informatieplicht.
Meldplicht vier weken voor graafwerk met afvoer van grond
De MBA graven > I moet ten minste 4 weken voor het begin ervan worden gemeld aan het bevoegd gezag. Als niet tijdig wordt gemeld is de activiteit verboden. De termijn van 4 weken is noodzakelijk voor het bevoegd gezag om de onderzoeksrapporten te beoordelen en, wanneer nodig, maatwerkvoorschriften te stellen. Als de initiatiefnemer verzoekt om een maatwerkvoorschrift, dan is de beslistermijn 8 weken. Bij de melding worden de volgende gegevens overlegd:
Algemene gegevens op grond van art. 2.17 Bal (aanduiding activiteit, gegevens initiatiefnemer, adres activiteit en datum);
Voorafgaand onderzoek (zie hoofdstuk 2);
Ontgravingslocatie (kaart en dwarsprofiel);
Hoeveelheden te ontgraven grond (inclusief kwaliteitsklassen).
Meldplicht één week voor graafwerk met alleen tijdelijke uitname
Voor het tijdelijk uitnemen van grond geldt een meldtermijn van 1 week. Het betreft hier een kortdurende activiteit waarbij de grond alleen tijdelijk wordt uitgenomen en zonder te zijn bewerkt wordt teruggeplaatst in hetzelfde ontgravingsprofiel16Hier is een verschil met tijdelijke uitname van grond met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en waarbij het ontgraven bodemvolume meer is dan 25 m3. In die gevallen mag de grond op of nabij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst..
Geen meldplicht bij spoedreparaties ondergrondse infrastructuur
De meldingsplicht is niet van toepassing als er wordt gegraven vanwege een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Onder infrastructuur verstaan we eigenlijk alles waarbij een spoedoperatie met graafwerkzaamheden aan de orde kan zijn, in het bijzonder drinkwater, energie en telecommunicatie. Ook het riool of een buisleiding voor transport van stoffen kan hiertoe behoren.
De hoeveelheid te ontgraven grond moet in verhouding staan tot de spoedreparatie. Ook mogen de graafwerkzaamheden niet omvangrijker zijn dan noodzakelijk voor de spoedoperatie. Het kan voorkomen dat er in eerste instantie met een beroep op deze uitzondering een noodoplossing wordt gecreëerd, waarna enkele weken later met inachtneming van de normale voorschriften een reparatie of oplossing voor de lange termijn wordt uitgevoerd. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal van toepassing.
Bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur moet na afloop van de werkzaamheden zo snel mogelijk informatie verstrekt worden over de begrenzing, de datum en de aanleiding/het doel van de werkzaamheden.
Informatieplichten
In aanvulling op de meldplicht worden ten minste 4 weken (in geval van tijdelijke uitname 1 week) voor start van de activiteit ook de volgende gegevens ingediend bij het bevoegd gezag:
Begrenzing van de locatie (is ook onderdeel van de melding);
Datum start graafwerk;
Verwachte duur van het graafwerk;
Aanleiding/doel van het graafwerk.
Ten minste 1 week voor de start van de activiteit moeten de volgende gegevens ingediend worden:
NAW-gegevens van degene die gaat saneren (aannemer);
NAW-gegevens van natuurlijk persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.
Wijzigingen
Wijzigingen moeten meteen gemeld worden als ze bekend zijn. Als de wijziging niet wordt doorgegeven, betekent dat dat er geen melding is gedaan en dat de milieubelastende activiteit niet is toegestaan.
Wijzigingen die betrekking hebben op de meldingsplicht van de MBA Graven > I worden ten minste 1 week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht verstrekt. Wijzigingen van de MBA Graven > I die betrekking hebben op de informatieplicht die samenhangt met meldingsplicht moeten onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte begindatum van de activiteit worden verstrekt.
Gegevens na afloop (evaluatieverslag)
Ten hoogste 1 week na afloop van de MBA graven > I worden evaluatiegegevens ingediend over de ontgraving (kaart en dwarsprofiel), eventuele resultaten MKB, bestemming van de grond en eventuele bijzonderheden.