Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.1

Wat is saneren (conform Bal)?

Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen

De activiteit saneren van de bodem komt in Nederland regelmatig voor, bijvoorbeeld een locatie wordt ontwikkeld, waarbij tegelijk de bodemkwaliteit wordt verbeterd. Een verplichte sanering kan aan de orde zijn bij de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bijvoorbeeld een woning met tuin, of bij het realiseren van andere bodemgevoelige gebruiksvormen, zoals een kinderspeelplaats of moestuin. Het kan ook gaan om een vrijwillige sanering, bijvoorbeeld bij de aankoop of verkoop van een terrein. Er is volgens het Bal sprake van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem als het oogmerk saneren van de bodem is. Dit is bijvoorbeeld het geval als de ‘waarde toelaatbare kwaliteit bodem bij bouwen’ wordt overschreden. Het doel van de activiteit is gericht op het wegnemen of beperken van (blootstelling aan) historische verontreiniging (ontstaan vóór 1987)19Bij verontreiniging die is ontstaan vanaf 1 januari 1987 is het uitgangspunt dat deze volledig wordt verwijderd (op grond van zorgplicht, of als maatregel bij ongewoon voorval, of in het kader van de herstelplicht na eindonderzoek bodem bij beëindiging van bedrijf of installatie).. Het saneren van de bodem kan binnen de standaardregels uit het Bal op twee manieren: Het beperken of ongedaan maken van de blootstelling aan de verontreiniging van de bodem door de contactmogelijkheden met de verontreiniging te voorkomen zodat de bodem op de locatie geschikt is voor het toekomstig gebruik. Dit kan gerealiseerd worden door een afdeklaag20Bij vluchtige stoffen moeten tevens maatregelen tegen uitdamping worden genomen (dampdichte laag, ventilatie, et cetera). (verhardingslaag, of laag grond of baggerspecie van 1 meter dik) aan te brengen; het beperken of ongedaan maken van de verontreiniging van de bodem, doordat de verontreiniging daadwerkelijk wordt verwijderd. Dit kan gerealiseerd worden door middel van ontgraving en afvoer van de grond (tot kwaliteit van de functieklasse21Via maatwerk kunnen andere terugsaneerwaarden van toepassing zijn, bijvoorbeeld voor lood indien sprake is van wonen met tuin. Zie paragraaf 4.5 onder kopje ‘Te realiseren bodemkwaliteit’ en paragraaf 4.9 ‘Lokale invulling’.). Verschil tussen saneren en graven Het oogmerk saneren van de bodem dient om het onderscheid te verduidelijken tussen enerzijds ‘zuiver’ saneren (met een saneringsdoelstelling), waarbij het voornemen van de initiatiefnemer is gericht op een schonere bodem (bijvoorbeeld door het afgraven van verontreinigde bodem) om risico’s voor de mens weg te nemen, en anderzijds tijdelijk uitnemen van grond tijdens de milieubelastende activiteit graven, waarbij overtollige verontreinigde grond (uit projectmatig oogpunt) wordt afgevoerd. Deze activiteiten kunnen ook samen voorkomen, bijvoorbeeld de MBA’s saneren en graven bij bouwen; bij het aanbrengen van een afdeklaag geldt ook de MBA Toepassen. Dit is een verschil in systematiek ten opzichte van het voormalige Besluit uniforme saneringen (BUS). Onder BUS waren tijdelijk uitnemen (projectmatig graven in sterk verontreinigde bodem) en sanering door ontgraven twee afzonderlijke saneringsaanpakken, terwijl in het Bal de eisen van de MBA saneren (door middel van afgraven) en de eisen van de MBA graven cumulatief van toepassing kunnen zijn. Beide activiteiten kunnen tegelijkertijd gemeld worden. Wanneer is sanering verplicht? Het Bal kent geen zelfstandige saneringsplicht. Een saneringsplicht kan zijn opgenomen in het omgevingsplan of sanering kan vrijwillig plaatsvinden. Saneren onder het Bal zal daarom meestal plaatsvinden op een natuurlijk moment, bijvoorbeeld als sprake is van een herontwikkeling op een verontreinigde locatie. Aan een herontwikkeling kunnen eisen worden gesteld aan de kwaliteit en eventuele sanering van de bodem. Er is in ieder geval een verplichting tot saneren of het treffen van andere beschermende maatregelen bij nieuwbouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie22Of bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk (als bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving) groter dan 50 m2. als de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden in een bodemvolume van meer dan 25 m3 (volumecriterium geldt niet voor asbest). In dat geval wordt de binnenplanse omgevingsvergunning bouwen alleen verleend als aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Dit staat in het omgevingsplan, waarin de binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken is opgenomen. Zie verder hoofdstuk 8 van dit beleidskader. Vrijwillige sanering van statische locaties In het oudstedelijk gebied liggen veel locaties waarvoor binnen afzienbare termijn geen plannen voor stedelijke ontwikkeling of functiewijziging bestaan, de zogenaamde ‘statische locaties,’ met de bodemfunctie wonen, waarvan de tuinen verontreinigd zijn met zware metalen en PAK. Bodemonderzoek kan uitwijzen of er in de tuinen sprake is van onaanvaardbare risico’s. Het gaat bij deze risico’s meestal om de stoffen lood, kwik of PAK. Mocht bodemonderzoek en het actueel gebruik (met name tuinen en kinderspeelplaatsen) onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid aan het licht brengen, dan is het van belang om deze risico’s te vermijden of weg te nemen. Als het gaat om diffuus lood in de toplaag en het is voorlopig niet mogelijk om te saneren, dan zijn gebruiksadviezen een middel om risico’s tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen en te voorkomen dat jonge kinderen grond binnen krijgen (zoals een zandbak, groente telen in bakken, handen wassen, et cetera). Het is bekend dat in oudstedelijk gebied de bodem doorgaans verontreinigd is met zware metalen en PAK. Er kunnen echter ook andere verontreinigingen in de bodem zitten. Voor zover deze verontreinigingen ‘bij toeval’ worden ontdekt (ze waren nog niet eerder bekend), bijvoorbeeld door klachten, dan kan sprake zijn van een toevalsvondst. Het gaat hierbij om verontreiniging die (waarschijnlijk) onaanvaardbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Meer informatie over de toevalsvondst staat in paragraaf 10.2. Tijdelijke maatregelen kunnen dan nodig zijn om de risico’s weg te nemen. Op statische locaties is het aan de eigenaar/bewoner om de bodemverontreiniging een keer aan te pakken, bijvoorbeeld op een natuurlijk moment als er werkzaamheden (zoals een bouwplan) aan de orde zijn. Op dat moment wordt de locatie dynamisch. Zie verder in hoofdstuk 8 of 9. Welke saneringen vallen niet onder de MBA saneren conform Bal? Er zijn saneringen die niet onder de MBA Saneren volgens het Bal vallen. Dit betreft een grondwater- of waterbodemsanering, maar ook de sanering van een nieuw geval. Grondwatersanering De sanerende maatregelen, die hoofdzakelijk zijn gericht op het saneren van het grondwater om de grondwaterkwaliteit te verbeteren, vallen niet onder de activiteit saneren in het Bal. Het uitvoeren van een grondwatersanering is een activiteit waarvan de regulering is overgelaten aan de provincie. In de Omgevingsverordening 2022 van de provincie Noord-Holland [Lit. 17] is geen saneringsplicht opgenomen voor het grondwater. Wel zijn er informatieplichten opgenomen: Voor het bevoegd gezag bij het signaleren van een nog onbekende grondwaterverontreiniging met een volume van meer dan 6000 m3; en Voor de initiatiefnemer als bij sanering van een historische bodemverontreiniging de grondwaterverontreiniging groter blijkt te zijn dan 6000 m3 en dit nog niet bekend is. In de toelichting bij de omgevingsverordening staat hierover het volgende: Ad 1. Dit artikel heeft betrekking op een zogenoemde toevalsvondst die zich mogelijk onaanvaardbaar kan verspreiden in het grondwater. Afgelopen decennia zijn deze verontreinigingen in principe allemaal in beeld gebracht. Als criterium hiervoor is een volume van 6.000 m3 als indicatiewaarde gebruikt. Leidraad daarbij vormde de 'Circulaire Bodemsanering 2013' (Staatscourant nr. 16675). Als een toevalsvondst wordt gedaan, moeten Gedeputeerde Staten in overleg met de betreffende gemeente bepalen of, op welke wijze, wanneer en door wie maatregelen moeten worden getroffen. Als een maatregel moet worden getroffen zal deze worden opgenomen in het regionaal waterprogramma dat de provincie vaststelt. Gemeenten zullen naar verwachting grondwaterproblemen die ontstaan vanuit de bodem, veelal als eerste signaleren. Als dat zich voordoet, moeten zij op grond van dit artikel de provincie direct informeren. Dit is een concretisering van het bepaalde in artikel 2.2 van de Omgevingswet. Het artikel vormt een aanvulling op afdeling 19.2a van de Omgevingswet (Toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem). Die afdeling is van toepassing als bij een toevalsvondst onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico's voor de gezondheid als gevolg van directe of indirecte blootstelling aan verontreiniging op of in de bodem te voorkomen of te beperken. Het artikel heeft een ruimer toepassingsbereik omdat het ziet op de toevalsvondst van grondwaterverontreinigingen met een mogelijk onaanvaardbaar verspreidingsrisico. De strekking is daarentegen minder ruim dan die van afdeling 19.2a van de Omgevingswet, omdat het alleen een informatieplicht oplegt aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de toevalsvondst is gedaan. Ad 2. Deze bepaling heeft betrekking op historische bodemverontreinigingen, waarover in het verleden een saneringsbesluit is genomen. Het gaat hier onder meer om gevallen van ernstige verontreiniging, waarvan sanering niet spoedeisend was. In dit soort gevallen vindt sanering pas plaats als een nieuwe ontwikkeling, zoals bouwactiviteit of herinrichting, daartoe aanleiding geeft. Als bij het saneren blijkt dat zich een mogelijk onaanvaardbaar verspreidingsrisico voordoet, moet degene die saneert terstond Gedeputeerde Staten informeren. Uit bovenstaande toelichting kan worden afgeleid dat er bij deze informatieplichten – behalve een minimaal volume van 6000m3 – ook sprake moet zijn van een overschrijding van de signaleringsparameters grondwater als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze signaleringsparameters komen overeen met de interventiewaarden voor grondwater onder de Wet bodembescherming. Waterbodemsanering Sanerende maatregelen die zijn gericht op een verontreiniging in de waterbodem vallen niet onder de activiteit saneren. Informatie over de aanpak van verontreinigde waterbodems staat op de website van iplo.nl: Verontreiniging waterbodem en oever - Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl). De regels voor de MBA saneren van de bodem gelden wel voor voormalige droge oevergebieden. Het begrip ‘droge oevergebieden’ komt niet terug onder de Omgevingswet. Nieuwe verontreinigingen Bij zogenaamde nieuwe verontreinigingen (veroorzaakt na 1986) is het uitgangspunt dat volledige verwijdering (tot de norm die mag worden toegepast) zo spoedig mogelijk plaatsvindt. Het kader voor sanering van nieuwe verontreinigingen wordt gevormd door de zorgplicht, het ongewoon voorval en de herstelplicht bij bedrijfsbeëindiging (aan de hand van een eindsituatie-onderzoek bodemkwaliteit). Er kunnen situaties zijn waarin (onmiddellijke) volledige verwijdering niet helemaal haalbaar of redelijk is. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader in de Handreiking ‘redelijkerwijs’ en ‘het natuurlijk moment’ bij de zorgplicht bodem d.d. 12 juni 2020 [Lit. 18].

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel